Selecteer een pagina

Het geluk zit in een klein hoekje. Het scheelde geen haar of ik was op mijn gezicht gegaan. Een of andere harde klodder modder, gedropt door een of andere tractor van een of andere loonwerker. Omdat ik zat te genieten van het streberige trekwerk van de halve husky die ik bezit en die me tot mijn dankbaarheid de aanschaf van een elektrische fiets doet uitstellen, had ik die klodder niet opgemerkt. 

Mijn voorwiel raakte hem vol, mijn voet schoot van het pedaal en hing even in de lucht alsof ik een ballerina was en een halfslachtige poging tot een spagaat probeerde. Maar gelukkig bleef het daarbij en schoot ik niet van het zadel af met mijn ballen op de stang, want de snelheid waarmee ik door de polder scheerde was aanzienlijk en dan zou het werkelijk prijs zijn geweest.

Ik ben natuurlijk al eerder op mijn gezicht gegaan. De eerste keer dat ik me kan herinneren was toen ik van de lagere school naar huis fietste en ik er op het rechte stuk van de Sint-Livinusstraat niets spannenders op had gevonden dan met mijn ogen dicht en zonder handen te rijden. Ik hief ze zelfs ten hemel in de veronderstelling dat als God het beliefde ik misschien wel zou kunnen opstijgen en als een fietsend engeltje door de wolken fladderen. Een Mini Cooper verhinderde dat, al ging ik wel een eind omhoog, want ik knalde er vol op en belandde op het dak om er dan over de voorruit weer af te rollen. Wiel dubbel, pedaal eraf, blauwe plekken en schaafwonden, maar gelukkig geen breuken. Niet veel later probeerde ik al rijdend mijn handen te kruisen en dus met mijn rechterhand het linkerdeel van mijn stuur vast te pakken. Ook dat eindigde onfortuinlijk. Maar de ergste keer was tijdens een zondags bezoek aan mijn grootouders in Diksmuide. 

Ik moest naar de plee voor de grote boodschap en dat was iets wat ik daar altijd uitstelde tot het ondragelijk werd. De plee was namelijk een plank in een gebouwtje een eind buitenshuis en in die plank zat een voor mijn kont reusachtig gat. Als je erdoor keek zag je de aangekoekte stront van een heel leven, om nog maar te zwijgen van de geur. Erop gaan zitten was een beproeving, er spookte van alles door mijn gedachten: zal ik er niet door vallen, want mijn voeten raakten de grond niet en dat gat was zo groot. Zit er geen droltrol in die me naar beneden zal proberen te trekken? Enfin, na veel gedreutel ging ik toch altijd maar op die koude plank zitten, echter die ene zondag liep dat niet goed af. Ik weet zeker dat ik daar beneden een geluid hoorde, een soort gegorgel, alsof er een wezen boven kwam en naar lucht hapte, daarbij een paar happen waterige diarree weg te slikken kreeg, en daar allerminst blij van werd. Ik schoot van de plee af, broek nog over mijn enkels, stuikte met mijn hoofd tegen de deur die ik uit angst nooit vergrendelde en dus meegaf en landde met mijn voortanden op de tegels. Melktanden kwijt, kapotte lippen, hoongelach van de hele familie, maar geen breuken. Geluk had voor mij toen niet in een kleine hoekje moeten zitten, maar in een kleinste kamertje in huis.