Selecteer een pagina

Tuur woont in Ossenisse, een steenworp bij me vandaan. Hij heeft in Terneuzen een garage met belendende scooterzaak en al een jaar of vijftien repareert hij mijn auto. Zelden heb ik een mens met meer plezier in zijn werk ontmoet. Hij is eind zestig en het is zijn lust en zijn leven, antwoordt hij als ik vraag wanneer hij met pensioen gaat. Zijn handen doen mij aan die van mijn vader denken, die werkte ook in een garage: eeltige huid, altijd zwart van het smeer en de olie, niet schoon te krijgen, zelfs niet met korrelig waspoeder dat bij ons thuis in een bokaal naast de warmwaterkraan stond. Harde handen van een zachtaardige man. 

Tuur heeft altijd haast en zoals de Ierse dichter William Butler Yeats ooit schreef: die haast heeft, heeft hoofd noch hart. Maar dat klopt niet. Tuur heeft wel degelijk een hart. Vorige week stond hij hier met vijf handgeschreven A4’tjes. Uit zijn verhaal bleek dat Tuur zich nog heel goed herinnerde dat er een dag was waarop hij geen haast voelde en hij geen zin had om te werken en dat was de dag waarop zijn veertien jaar oude en trouwe kameraad, een Mechelse herder, zijn laatste adem uitblies. Tuur had toen het gevoel dat voor de eerste keer in zijn leven de tijd stilstond. Weg haast. Hij nam de tijd om waardig afscheid te nemen van een vriend en voor het eerst in zijn leven vond hij dat hij een goede keuze had gemaakt. Maar daar stopte zijn verhaal niet.

Tuur schreef mijn vader een afscheidsbrief. Ik heb hem persoonlijk overhandigd, want Tuur had geen tijd en mijn vader woonde in Elverdinge, op 140 kilometer van Terneuzen. Toen hij de brief las kreeg mijn vader tranen in zijn ogen. Ik zie hem nog zitten aan de keukentafel, het papier in zijn bevende handen. Mijn vader en Tuur hadden een speciale band, ook al kenden ze elkaar niet lang. Ze ontmoetten elkaar voor de eerste keer tijdens de boekvoorstelling van mijn tweede roman, Meester Mitraillette. Naar het schijnt ging mijn vader tussen Tuur en zijn vrouw in zitten. Ze raakten aan de praat, zeiden tegen elkaar dat ze werkmensen waren en geen schrijvers en dat ze deden alsof ze snapten wat ik daar vooraan zat te vertellen. Mijn vader zei tegen Tuur dat hij geen flauw benul had van wie ik dat schrijven had meegekregen, zeker niet van mijn moeder en nog minder van hem. Vroeger waren er bij ons thuis wel boekenplanken te bespeuren, maar amper boeken. Toen mijn vader naar mij in Ossenisse kwam, bracht hij Tuur in zijn zaak in Terneuzen regelmatig een bezoekje. Dan aten ze (als Tuur tijd had) een koek en dronken ze koffie. En op een van die middagen zei mijn vader dat hij niet lang meer te leven had en dat hij afscheid kwam nemen. Daar schrok Tuur wel van en hij wist niet goed wat te doen. Maar de tijd haalde hem in en mijn vader stierf zonder dat ze elkaar ooit nog hadden gesproken.

Maar Tuur had de tijd genomen om een brief te schrijven, om waardig afscheid te nemen van een vriend. Zelfs de man die altijd haast had kon toch nog even stilstaan. Dat was, wederom, de goede keuze.