Selecteer een pagina

Tijdens de Coronacrisis is mijn leven niet zo erg veel veranderd. Ik werkte al veel van thuis uit, alleen was ik nu nog meer thuis. Behalve om af en toe eens wat boodschappen te doen in de lokale Plus ben ik eerlijk gezegd mijn erf niet af geweest. 

Dat was geen straf, want het is hier goed: veel dieren, veel bomen en bloemen, veel werk en vooral veel zon. Maar vorige vrijdag ging ik toch voor de eerste keer terug naar de hogeschool. De presentaties voor het tentamen Engels mochten namelijk live worden afgenomen. Ik genoot van de rit ernaartoe: de blatende lammeren langs de N62, de witte windturbines die door het gezapige draaien van de bladen zichzelf in slaap leken te sussen, het laatste stukje snelweg van de A58 naar Vlissingen waarbij ik mijn voet wat zwaarder liet worden. Alles rook naar routine en dat beviel me.

Maar toen ik de parking van de hogeschool opreed, vond ik de bocht scherper dan ik me kon herinneren en de aanblik van de lege parking deed me de wenkbrauwen fronsen. Ik parkeerde de auto, pakte mijn tas en liep het gangetje dat ik al vijftien jaar loop, de wildwissel van een gewoontedier. Ik smakte bijna tegen de glazen deur. Ze ging niet open. Ik merkte dat ik naar een knop zocht; er zaten geen knoppen. Het ding ging al  vijftien jaar pal voor mijn neus open, altijd ietsje te laat, maar tot daar aan toe. Een nietige irritatie toen ik het bordje zag dat het gebouw alleen via de hoofdingang betreden kon worden. Enfin, dan maar een paar honderd meter extra stappen. Dat is gezond voor een mens zoals ik, ook al wijkt het af van mijn route. 

Eenmaal door de draaideur was er een duidelijke scheiding gemaakt van ‘in’ en ‘out’, met een handzeepje en papierrol op een sokkel. Oké. Het was inderdaad een andere wereld en de school leek verdomd leeg. Ik liep de trap op naar het lokaal in de PE-gang waar ik het tentamen had georganiseerd. Tot mijn verbazing zag ik gestickerde voetenstappen op de vloer. ‘In’ en ‘out’, blauw en groen. In dezelfde richting. Hoe ging dat in zijn werk? Enfin, maar niet te lang over nadenken. Snel naar het lokaal, want binnen vijftien minuten zou het eerste studentenkoppel aan de presentatie beginnen. Ik zweefde mijn chipkaart voor het deurslot. Nog een keer. Rood lampje. De irritatie van voordien ontplofte in een vonkje onderin mijn hersenpan. Aha, ik was vergeten mijn chipkaart voor dat vierkanten toestelletje bij de ingang te houden. Dat moest het zijn. Stomkop. Snel terug. 

Ondertussen was ik in mijn routine hervallen en liep ik in de richting van de glazen deur waar ik even voordien bijna tegen was gesmakt. Gesloten gangdeuren. Ik merkte dat ik tegen de richting van de gestickerde voetstappen in was gelopen. Verdomme. Dat was niet de bedoeling. ‘In’ en ‘Out’. In dezelfde richting. Nu snapte ik hem. Via het trappenhuis. Dat was het. Geen collega te zien in deze spookschool. De rust die het gebouw uitstraalde disharmonieerde met mijn innerlijke beroering. Koffie. Dat moest ik hebben. Maar eerst mijn chipkaart voor dat toestelletje hangen en wachten op het biepje. Gelukt. Nu naar de automaat waar ik altijd naartoe ging. Lichtelijk bezweet kwam ik er aan, maar er stond iemand van de catering het apparaat uit elkaar te halen. Geen mens te zien, maar uitgerekend hier stond iemand mijn koffie-inname te saboteren. De verwensingen wurmden zich net niet van tussen mijn lippen. Ik beende naar de klas. Het lampje van het slot sprong op groen, maar mijn humeur zat nog diep in het rood. Arme studenten.