Selecteer een pagina

Mist, dikke grijze wolken, somberte, lege velden en slijk in de wind. Ook dat is Zeeuws-Vlaanderen. De ijskoude, immer deinende Westerschelde, de scholeksters, de zilverreigers verspreid over de akkers, de buizerds op de weidepalen en biddende torenvalken, het dorre gras op de dijken en de stuurse gezichten van de mensen. Ook dat is Zeeuws-Vlaanderen. 

Het is wachten op zonnige winterdagen en sneeuw. Hopelijk weer eens sneeuw: die lichte, zijdezachte vlokken sneeuw die zich tijdens de donkere nacht onhoorbaar ophopen en dan bij het ontwaken zorgen voor een indrukwekkende verrassing. Een eindeloos en zuiverwit vergezicht. Een doodstil landschap als in een schilderij.

Sleeën van de dijk en sneeuwmannen met ogen en ballen gooien totdat je armen pijn doen en je huid gloeit en je rilt wanneer de sneeuw in je kraag tussen je schouderbladen valt. Daar is het op wachten. Niet schaatsen. Ik ben geen schaatser. Dat werd bij ons vroeger niet gedaan. Ik denk niet dat ik in mijn jeugd ooit iemand heb zien schaatsen op natuurijs. Wel op een kunstmatige, overdekte ijsbaan in het West-Vlaamse Gullegem. 

Eind de jaren 80 herinner ik me een vreselijk koude winter, -20 graden Celsius. Nooit zijn we gaan skiën, daar hadden we geen geld voor, maar opeens liep ik naar school in afgedragen skilaarzen van een neefje. Het zijn soms mistroostige dagen, dagen aan het eind van een stervend jaar, een jaar dat bizarre en onaardse wendingen heeft gekend. En wat ligt er in het verschiet? Goeds, hopelijk. ‘Je moet nooit ommekijken’, zei mijn vader de avond voor hij stierf tegen me en hij legde zijn magere hand op mijn hoofd, zoals hij deed toen ik een kind was.

Maar dat is moeilijk. Het is zelfs onmogelijk. Hij zei dat om mij weer op weg te helpen, om door te gaan, altijd maar door te gaan. Niet omkijken, niet in het verleden blijven hangen, maar naar de toekomst kijken, een toekomst die eigenlijk, als we eerlijk zijn, voor niemand bestaat. Dat wat men denkt dat men toekomt is een illusie. Alleen het verleden en het heden bestaan. Maar gelukkig kunnen wij mensen ons een toekomst inbeelden, eentje die hoopvol is, waarin we naar alle waarschijnlijkheid mogen blijven meedoen aan het almaar voortdenderende leven. 

Dat is geen vanzelfsprekendheid. De lente zit al in de grond, ze komt altijd terug. Op het rot zal ze doen groeien en bloeien, de lente van de ingebeelde toekomst. Maar gelukkig brandt binnen nu de kachel, kan het hart zich warmen aan koffie en chocomelk, aan zonen en dochters, aan moeders en vaders, want ook dat is Zeeuws-Vlaanderen. 

Zo sluiten we de mist, de grijze leegte, de mistroostigheid buiten en als we dan op een ochtend wakker worden en de wereld is wit, dan is dat ongeschonden schoonheid zover het oog reikt. Dan moet je van slechten huize komen om daar geen poëzie in te zien, om voor even te genieten van de illusie van een ongerept en onbeschadigd bestaan. Ook dat is Zeeuws-Vlaanderen.