Selecteer een pagina

Ik ken een jongen die dit schooljaar samen met een groep vrienden tegen het ontmoedigingsbeleid van de school in, is overgestapt van 4 vmboT naar 4 havo. Voor het eerst in de schoolcarrière van die jongen, die al vanaf groep 4 gekenmerkt werd door schoolmoeheid, vertelde hij mij over zijn wedervaren tijdens de wiskundeles en met name over de persoonlijke benadering van de wiskundeleraar. Het motto van de leraar was: ‘hoe minder zielen, hoe meer vreugd.’ 

De gevatte wiskundeleraar riep bij tijd en wijlen ook: ‘jullie zijn waardeloos en dom en eigenlijk zouden jullie weer teruggezet moeten worden naar het vmbo.’ Hij deed er nog een schepje bovenop en lardeerde zijn persoonlijke uitlatingen met omineuze toekomstperspectieven: ‘hoe hard jullie ook leren, het zal moeilijk worden om te slagen.’ Een aantal weken voor de coronacrisis werd die jongen voor de rest van het schooljaar de toegang tot de wiskundeles ontzegt, omdat hij besloot zijn huiswerk niet in de les te beginnen, maar thuis te maken. Nu zitten alle leerlingen thuis hun huiswerk te maken. Enge tijden voor docenten. 

Wat is dat met die wiskundeleraren? Dertig jaar geleden had ik er ook zo een. Hij was klein, had witte haren met een vuilgele waas eroverheen en een te rode huid. Hij zag eruit als een rijpe zweer die door de geringste druk kon exploderen. En zo was het ook. Eén slecht antwoord en je wist dat je de volgende les de tijd niet zou hebben om te gaan zitten, maar dat je al bij binnenkomst, jas en tas nog in de hand, voor het bord zou moeten staan om een spervuur aan opzettelijk moeilijk verwoorde vragen te beantwoorden. Bij die wiskundeleraar moest je zelfs op je taal letten, want het woord ‘toch’ mocht niet worden gebruikt door de leerling. In één van zijn betekenissen kon dat bijwoord namelijk aangewend worden om iets extra te benadrukken, zoals bijvoorbeeld in de zin ‘het is toch zo’. En omdat de leerling in de beleving van deze wiskundeleraar a priori foutieve antwoorden gaf, was het gebruik ervan dus misplaatst. Mijn kookpunt werd destijds bereikt toen hij het waagde een houten bordenwisser tegen mijn slaap te gooien. Het ding kwam aan als een baksteen. Ik omklemde het een lange poos en ik herinner me nog dat het me bijzonder veel beheersing en verbeeldingskracht kostte om het onding niet op zijn hoofd uit te kloppen.

Lesgeven is acteren: je kunt boos zijn, maar je beheersen en het dus niet tonen. Je kunt gespeeld boos doen, maar het niet echt zijn. En elke professionele docent weet: het hoe is belangrijker dan het wat. De wijze waarop een docent een leerling of student benadert en behandelt, opent of sluit de weg van de kennisoverdracht. 

Dezer weken, waarin veel docenten klungelen met een online lesomgeving en de technologische middelen die er ter beschikking zijn soms nog moeten ontdekken, zijn misschien een zegen voor de leerling: door de fysieke afwezigheid van zowel docent als leerling ontstaat er een afstand. Een afstand die in beide richtingen bij een verstoorde relatie goed kan uitpakken omdat hij veilig aanvoelt. En de wiskundeleraar van de jongen die ik goed ken? Die man wordt nu genoodzaakt te werken aan zijn persoonlijke benadering en beheersing, zijn sociale vaardigheden zullen door de online omstandigheden worden gereset, want de jongere generatie is vernuftiger met de technologische middelen en een gesprek kan zomaar worden opgenomen. Een beetje digitale dreiging zou zelfs voor een sociaal incapabele wiskundedocent een stimulans ter zelfverbetering kunnen zijn.