Selecteer een pagina

Wat ze hier in Nederland niet kennen is de vrolijke traditie van de nieuwjaarsbrief. Dat was altijd lachen. Vooral voor de nonkels en tantes die aangeschoten, paffend en vol verwachting zaten te wachten. En dat waren er nogal wat: zeven aan mijn vaders kant en zes aan mijn moeders kant. Keer twee, want ze waren allen getrouwd. En elk jaar kwam uit tenminste één van die monden de clichénieuwjaarspoëzieregel: Liefste peter en meter, hoe meer dat u geeft, hoe beter!

Die nieuwsjaarbrief moest drie keer worden voorgelezen: thuis alleen voor de ouders en bij beide families. Dan werd er een stoel in het midden gezet en moesten wij, neefjes en nichtjes, een voor een onze brieven voorlezen. Dat was de apotheose van een ijverig, zeer nauwkeurig en bij wijlen pijnlijk schrijfproces. Pijnlijk, want meester Baas (inderdaad: de meester uit mijn debuutroman en nota bene de enige naam die ik letterlijk heb overgenomen omdat ik hem zelf niet treffender kon bedenken) bewaakte dat schrijfproces met harde hand. Letterlijk. Het begon al bij de regels. Ik weet niet waarom, maar soms hadden die verdomde nieuwjaarsbrieven geen regels en moesten we als eerste handeling met onze houten liniaaltjes horizontale potloodlijnen trekken, en vooral niet te hard drukken, want op het eind moest alles worden uitgegomd. Een aflopende of opstijgende lijn? Een klets. Te hard gedrukt in het papier? Een klets. En meester Baas kon goed kletsen uitdelen, hij was de beste kletser van het dorp, wat zeg ik, waarschijnlijk van grootstad Ieper. Soms wel hele reeksen.

Hij beval je naar voren te komen en voor de klas stroopte ie z’n mouwen op alsof ie een konijn ging villen en ging aan de slag. De slagerszoon die in mijn klas zat schreeuwde om zijn moeder. Natuurlijk kwam die niet. Ze was worsten aan het verkopen. Nooit heb ik een moeder naar binnen zien stormen om te zeggen dat hij moest ophouden met kletsen uitdelen. Zelf heb ik er ook buitengewoon veel van geproefd. Die keer dat mijn vriend, een stotteraar, bleef hangen bij een cijfer. Op repeat ging ie. Destijds was een geadviseerde remedie om dat bewuste cijfer en zelfs een hele volzin dan maar te zingen. Diep ademhalen, beval meester Baas, en dan zingen maar! Mijn vriend zoog een teug lucht naar binnen en zong het cijfer uit volle borst. Of althans de eerste letter. En weer ging ie op repeat.

Ik kon me niet meer inhouden en barstte uit in een onbedaarlijke lachstuip. Klets, een serie van tien. Maar om mijn moeder schreeuwen deed ik nooit. Dus dat voorlezen van die nieuwjaarsbrieven, waarbij de kleinsten ook nog eens werden uitgelachen door de oudere neven, pubers met puisten die al naar het middelbaar gingen en dus tot onze afgunst van deze feestelijke traditie gevrijwaard werden, was altijd een vrolijke ceremonie voor de inmiddels bezopen toehoorders. 

Zelf had ik er een pesthekel aan, hakkelde en stotterde ik van begin tot eind en was blij dat ik van die stoel in het midden van de kamer af kon. Ik heb ze allemaal weggeflikkerd, die nieuwjaarsbrieven en daar heb ik nu wel een beetje spijt van. Het waren odes aan vader en moeder, aan peter en meter, lofliederen voor oprechte ouderliefde en welgemeende nieuwjaarswensen vanuit een onschuldige kinderborst, stukjes schrijfkunst die al kletsend en zwetend tot stand zijn gekomen en nooit hun doel misten, want altijd kreeg de lezer een daverend applaus.