Selecteer een pagina

Deze week was het zover. Hier had ik naar uitgekeken. De eerste keer dat ik weer gras kon maaien. Dat vind ik altijd een wonderbaarlijk moment, de sapstromen die weer op gang komen als aanloop naar de vroege lente. Niets ruikt lekkerder dan de geur van vers gemaaid gras. Of die van hooi en stro, beetje opgewarmd in zonlicht. Het zijn geuren die al duizenden jaren geroken worden, en misschien zijn ze zelfs onderdeel van ons DNA geworden. 

Vol goesting sprong ik op de zitmaaier, maar het ding bleef zo dood als een pier. Batterij. Door de vredig blauwe en wolkenloze lucht zag ik in de verte de kerktoren van Kloosterzande, maar ik vloekte toch, en niet één keer, maar ik ontwierp ter plekke een nagelnieuw Vlaams Vloekwoordenboek. Mijn vader had ook een zitmaaier, zelf gebouwd. Dat kon ie, want hij was monteur. Dat ding deed het altijd. Daar zat geen pietepeuterig batterijtje van slechte kwaliteit in, maar een heuse autobatterij. Ik herinner me de woensdagmiddagen dat ik met mijn fiets thuiskwam van school, de oprit opreed en hem rond het huis zag sjezen met zijn blauwe zelfgebouwde maaier, altijd op het gemakje, ook al waren er vijf versnellingen. En nadat ik die geur diep had opgesnoven, liep ik monter de keuken binnen en daar stond mijn moeder grote lappen lever met uitjes te bakken. Het kon niet op op woensdagmiddagen bij ons. 

Op diezelfde middagen moesten er ook soms vetkiekens worden geslacht. Iets wat mijn vader nooit leuk vond. En mijn broer en ik ook niet, want we moesten die beesten helpen pluimen. In de garage werd dan een grote gaspul neergepoot en een brander en daar werd een gigantische pot op gezet om water in te koken. Ik had er zelf in gekookt kunnen worden. Mijn vader kwam dan uit de tuin aanlopen, een bloedend kieken in zijn hand dat hier en daar nog wat stuipte, duwde het beest onder water, roerde er wat mee van links naar rechts en omgekeerd, een soort van waterige danse macabre, tilde de kip daarna op, liet hem wat uitdruppen en hing hem ten slotte aan één poot aan de kettinghaak in het plafond. Stinken dat dat deed. Mijn broer en ik, de pluimploeg, moesten dan aan de slag. Daarna bracht ik het poedelnaakte kieken naar de keuken, waar mijn moeder met een groot vleesmes stond te wachten, een gat in de kont sneed en de ingewanden eruit trok en die in een gele emmer tussen haar voeten liet vallen.

Het was een smerig werkje, dat moet gezegd, maar wat smaakten die kiekens lekker. Ik heb ze nooit meer zo gegeten als toen. Dat komt vast door het verse gras dat ze bij leven konden eten. De kippenlevertjes waren het beste. En het witvlees van de borst. Daar ruzieden mijn broer en ik wel eens over. Mijn moeder at altijd het hart en ik zie haar nog steeds kluiven aan de nek en vader haalde de grap uit van de bewegende kippentenen door aan een stuk pees te trekken. Dat is wat ik dacht toen ik naar huis reed met een nieuwe batterij, die in de maaier stak, de kabels verbond, en uiteindelijk mijn langverwachte rondje reed.