Selecteer een pagina

Lang geleden, toen ik nog in Gentbrugge woonde, ging ik op een lenteavond, zo rond middernacht, naar buiten. – Ik haal wel vaker een frisse neus voor het slapengaan. Ik kan intens genieten van de maan, haar schijnsel en schaduwvlekken die gelden als de vingerafdrukken van een subliem wezen dat haar ooit in oertijden had aangeraakt en dus als bewijs uit het ongerijmde dienden. – 

Toen ik daar in gedachten verzonken naar de maan stond te staren met om me heen het geritsel van nachtelijke rovers die zich opmaakten voor de jacht, hoorde ik een geluid dat ik nog nooit eerder had gehoord. Het leek wel een krolse kat, maar dan eentje met een enge ziekte onder de leden. 

Ik ging zitten en luisterde een poos naar dat rare, bijna buitenaardse huilen. Misschien was het toch een baby en hadden de ouders hem uit wanhoop buiten gezet? Een hongerige vondeling die in een mandje aan een touw over de muur was neergelaten, want daar in Gentbrugge waren de weinige vierkante meters tuin van de rijtjeshuizen gescheiden door bakstenen muren. Ik denk dat ik daar, in het licht van de maneschijn, wel tien minuten zat te mijmeren over de herkomst van die zonderlinge klank die een dwingende urgentie had in de verder rustige lenteavond toen ik er tot mijn verbazing opeens het woord ‘help’ in dacht te herkennen. 

Ik stond op en besloot over de muren te klimmen, op zoek naar dat naargeestige geluid. Het sluipen door de tuinen van de mensen en het heimelijk klauteren over de muren gaf me het gevoel dat ik een nachtjager was, een wezen dat onder de sluier van de duisternis zijn bloederige bevrediging zocht. Tot ik was aangekomen bij de bron en het roofdier in me zich herschiep tot een mens met mededogen, want daar op de koude tegels in het donker lag een stokoud vrouwtje. Ik hielp haar rechtop, bracht haar naar binnen en op haar aanwijzingen belde ik haar dochter.

Deze herinnering kwam bij me op toen ik een tijdje terug laat in de avond naar buiten ging om de honden uit te laten. Ook deze keer maakte de maan iets in me wakker en ergens in de verre duisternis, in het hart van de akker, hoorde ik opnieuw een sinister gehuil dat overging in een schreeuw. Ik liet de honden op het erf en haastte me naar binnen. ‘Er is een mens in nood,’ zei ik tegen mijn vrouw. ‘Kom luisteren! Daar midden in de akker ligt iemand.’ Ook mijn zoon kwam naar buiten en met z’n drieën hoorden we de nachtelijke schreeuw, een geluid dat ik in de vijftien jaar dat ik in Ossenisse woonde nooit eerder had gehoord. Ik zocht een zaklamp om daadwerkelijk te gaan kijken en de zwarte akker af te speuren, tot mijn vrouw naar binnen ging en in haar lucide en nuchtere tegenwoordigheid van geest me na wat speurwerk op haar telefoon wist te vertellen dat het om een rekel ging die op zoek was naar zijn moer. En aldus werd de ontwaakte nachtjager in me weer in slaap gebracht.