Selecteer een pagina

Op een avond vorige week reed ik in het donker terug naar huis en zag ik een uiltje op de weg. Hij bewoog niet, ook niet toen ik nog wat dichterbij reed. Hij zat er rustig te koekeloeren. Maar toen ik uitstapte om te gaan kijken of hij iets mankeerde, vloog hij weg. Een steenuiltje, zei een kenner. Een juveniele kerkuil, zei een andere kenner.

Wat het ook was, het uiltje deed me denken aan vroeger, aan de zondagen dat we op bezoek gingen bij pepe en meme van vaderskant. Ze woonden in een eenzaam huisje aan de Handzamedijk in Diksmuide. Een huisje dat al lang niet meer bestaat. Mijn broer en ik kwamen binnen in onze zondagse tenue, maar na de zoenen en de handjes schudden trokken we algauw onze speelkleren aan. Achter het woonhuis had pepe een grote schuur met oud landbouwmaterieel en andere afgedankte spullen. 

Op zo’n zondag bond mijn broer een autozetel op een grote steekkar, trok hem de weg op, beval mij in de zetel plaats te nemen en duwde de kar langs de vaart naar het wegeltje met de knotwilgen verderop. Daar liet hij mij in de knotwilgen klimmen op zoek naar braakballen. Als er ergens over, onder of in te klauteren viel, dan was dat mijn taak. Ik was de lichtste en de kleinste en mijn broer deelde graag de lakens uit. Dan gebeurde het wel eens dat op het moment dat ik mijn hand in zo’n vermolmd gat van een knotwilg stak, er op het laatste moment een uiltje dat zich daar had verschanst, opvloog. Altijd schrikken. Op de terugweg ging mijn broer in draf en schudde ik op de kar alle kanten op. Hij verloor uiteindelijk de controle en de kar belandde ondersteboven in de sloot en ik eronder. Zo ging dat wel vaker. Van ons tweeën was mijn broer de creatiefste en ik het proefkonijn. Hij reed op de BMX-fiets, ik zat op het stuur en viel eraf. Hij trok de slee op volle snelheid over een zelfgemaakte jump, ik lag erop en viel eraf, hij maakte kasten voor marters, wezels en bunzings en ik moest ze tussen de brandnetels en de doorns in het struikgewas plaatsen. 

Maar op een gegeven moment werd het leven eerlijker. Op een andere zondag waagden we ons diep in de wei waarin koeien met kalfjes zaten. Mijn broer maakte een paar uitdagende sprongen en hitste daarmee de koeien op. Ze chargeerden en wij liepen voor ons leven, mijn broer sneller dan ik natuurlijk. Ik zag dat ik het niet zou halen en boog af naar de enige knotwilg die er stond, sprong naar de takken, greep ze vast en klom erin. Toen ik opkeek zag ik dat de koeien mij niet waren gevolgd, maar de hele kudde achter mijn broer aan zat. Nooit eerder zag ik een mens zo snel lopen en zo hoog springen, want hij bereikte de prikkeldraadomheining net op tijd. Ik kan niet ontkennen dat ik toen onbedaarlijk begon te lachen, al besefte ik ook, nadat ik uitgelachen was, dat ik nog steeds in de wei zat.