Selecteer een pagina

Op vrijdag 19 januari 2018 reed ik mijn vader naar het Jan Yperman ziekenhuis te Ieper. Hetzelfde ziekenhuis waar mijn moeder 26 jaar eerder na een lijdensweg van vier maanden was gestorven. Ik had er sindsdien geen voet meer binnen gezet. 

Het bleek volledig vernieuwd en gemoderniseerd, met een vrolijk en kleurrijk logo dat op de voorgevel prijkte en dat bestond uit zachte, ronde vormen die de patiënten met open armen ontvangen. Het was niet alleen een beeldmerk, het was ook een woordmerk, want de afkorting van het Jan Yperman Ziekenhuis, JYZ, stond kunstzinnig en in moderne typografie met ineenpassende letters van klein naar groot naast het vrolijke kleurenpalet. Daaronder stond nog eens de volledige naam van het ziekenhuis. Daar was over nagedacht. Maar dat was niet alles. 

Het ziekenhuis bevatte geïntegreerde kunst. Er was een glazen regenbooggang waarin vogeltjes floten en spelende kindergeluiden te horen waren. Er waren zwartglanzende bollen bevestigd aan de wanden waarin je jezelf onnozel zag terugkijken, stenen zuilen met de gebeitelde voornamen van de baby’s die er in 2007 het levenslicht zagen en als laatste waren sommige muren beschilderd met een landschap van bergen en bomen, piramiden en kamelen. Dat noemden ze ‘Reis rond de wereld’. De boodschap was me gauw duidelijk: hoogtechnologische zorg met een menselijke aanpak.

Het spreekt voor zich dat ik dit nauwelijks opmerkte toen ik er mijn kermende vader op vrijdag 19 januari naartoe bracht. Zijn laatste reis. Niet rond de feeërieke wereld van piramiden en kamelen, maar van Elverdinge naar Ieper. Inderhaast maakte ik de fout hem niet naar de spoedeisende hulp te brengen, maar via de hoofdingang naar binnen te gaan. Daar begon het gezeur: heeft u een afspraak? Mag ik de papieren van uw vader? Terwijl de receptioniste een mapje tevoorschijn haalde met het vrolijke logo en zelfs de muismat voorzien was van het hoopgevende woord- en beeldmerk, jammerde mijn vader achter me. Er was op dit moment stoel noch bed beschikbaar, zei ze. Ze straalde de hoopgevende boodschap van de omgeving niet uit.

Uiteindelijk kreeg mijn vader wat het midden hield tussen een bed en een ligstoel en werden we naar een aparte ruimte gebracht. Na wederom een pijnlijk onderzoek dat in de dagen daarvoor meerdere malen was uitgevoerd door onze waardeloze huisarts kreeg hij kamer 410. De dag erna 417. En de dag daarna 407: de kamer waarin hij zijn hoogtechnologische spuitje kreeg en die het einde van zijn reis door de ziekenhuisgang betekende.

Mijn vader gaf geen mallemoer om kunst en ik durf te verwedden dat hem in zijn laatste dagen niets van de kunstzinnige omgeving was opgevallen. De geïntegreerde kunst in het ziekenhuis is rustgevend voor de gezonde passanten die na het bezoekuur snel weer naar huis gaan, voor de verpleging die kwiek en vief hun karretjes door de gangen duwen, voor de specialisten die genietend van hun status de stagiaires meetronen, voor een verdwaalde ramptoerist die andermans leed graag aanziet. Maar diegenen die de dood in de ogen kijken en weten dat ze er niet meer vandaan gaan, hebben er niets aan.

En ik? Toen ik op dinsdagochtend 23 januari omstreeks 9u15 na de euthanasie verweesd naar de hoofdingang sjokte, merkte ik er ook niets meer van.