Selecteer een pagina

’s Avonds zit er een fazant in mijn notenboom. Nooit eerder had ik een fazant op die plek, zo hoog. En hij maakt kabaal bij zonsondergang. Daar kan ik nog mee leven. Het is niet ’s nachts, of vroeg in de morgen. Vele vogeltjes fluiten mooie en aangename deuntjes zo bij het ochtendgloren, maar niet de fazant en niet de ekster. Dat bekt niet. En als die eksters dan nog eens gaan ruziemaken, dan breekt de pleuris uit.

 Dat ging zo een paar jaar door, vooral in de zomervakanties, vanaf half vijf in de ochtend, totdat ik er genoeg van kreeg om te worden gewekt door dat opvliegende ekstergekras en ik om vier uur opstond, een stoel in het gras neerpootte, en er met mijn geladen luchtbuks op ging zitten wachten. Niet om ze uit de lucht te schieten, want behalve als je een scherpschutter bent, lukt dat met zo’n buks toch niet. Maar om ze de schrik van hun leven te bezorgen. Ze kwamen niet; ze kwamen nooit toen ik er zat en ik zat er drie ochtenden achtereen.

De eerstvolgende ochtend dat ik weer in mijn nest lag, waren ze er weer. En ze ruzieden meer dan gewoonlijk, alsof ze me nog eens opzettelijk bespotten. Toen had ik ze wel de nek omgewrongen, als ik ze te pakken had kunnen krijgen. Daarna is het een paar jaar rustig geweest. Maar nu zijn ze terug. Een koppeltje. Ik zie ze vaak en denk al aan mijn verneukte zomerochtenden. En die fazant die in mijn notenboom zit te kraaien? Ik ga ervan uit dat ie nog voor de zomer door een vos wordt opgepeuzeld.

 Vogels, ze zijn toch zo mooi. Toen ik twee weken geleden de parking van de Plus in Kloosterzande opreed en voor een auto met Belgisch kenteken parkeerde, zag ik een stuk vleugel uit de grille steken. Het bleek een torenvalkvrouwtje. En er zat nog leven in ook. Ik trok het beest er voorzichtigjes uit en ging ermee in de auto zitten. Een vol uur hield ik het warm, want de valk was nat en ijskoud. En warempel, na een uur begon er meer leven in te komen, het hartje klopte sneller en nog voordat ik het besefte had het beest met al de kracht die het nog over had zijn klauwen in mijn duim gezet. Ik denk niet dat ze me hoorden in de Plus, maar roepen en vloeken deed ik. Nu weet ik hoe het voelt een speldenkussen te zijn.

 Omdat ie er toch wat doorkwam besloot ik de dierenambulance te bellen. Het duurde nog een half uur voor ze er waren. Ze namen het valkje van me over, staken het in een donkere doos en schoven het in een rek. Dat beviel me niet, maar ik zei er niks van. De warmte die ik het gegeven had, zou hopelijk genoeg zijn. Ze brachten het beestje naar vogelopvang De Mikke in Middelburg Toen ik een paar uur later belde naar de Mikke hoorde ik dat het valkje bij aankomst gestorven was. Dat was een moment waarop ik het liefst in de auto was gestapt om die dierenambulancebroeders een peut voor hun ponem te geven, want ze waren met z’n tweeën. Het was een kleine moeite geweest om een handschoen aan te trekken en het beestje de hele rit warm te houden. Het valkje is alleen in de kou in een donkere doos gestorven. Dat wens ik straks alleen maar de eksters toe.