Selecteer een pagina

Als ik schrijf rook ik weleens. Ik moet dan uitkijken dat ik niet te veel opga in het verhaal, want anders valt de askegel van de sigaret of sigaar en brand ik daardoor mijn schrijfhok misschien nog eens af. Zo heb ik al schrijvende weleens een gat in mijn broek gebrand. Ik kreeg het in de gaten omdat het pijn begon te doen.

Al niet-schrijvende ben ik ook soms verstrooid. Zo zat ik ten tijde van het schrijven van mijn debuut ooit twee uur te vroeg bij de tandarts en reed ik voorbij school met de kinderen op de achterbank. Ik denk niet dat ze veel zin hadden in school, want pas na een paar kilometer zeiden ze er iets van.

Nog niet zo lang geleden, een half jaartje of zo, had ik niet in de smiezen dat ik al door de Sluiskiltunnel was gereden en zat ik maar te wachten tot die tunnel op me af zou komen. Die kwam maar niet. Daardoor miste ik de afslag en was ik gedwongen richting Zelzate te rijden alvorens ik om kon keren om huiswaarts te gaan. Al verricht ik op die momenten dan niet de fysieke schrijfhandeling, ik blijk in mijn hoofd verder te werken. Daar schreef ik ooit een zin over (De verzonken jongen, 2011): Het leek wel of er een peloton schrijvers in mijn hoofd gevangen zat, allemaal koortsachtig schrijvend aan hun eigen verhaal, naden die over en onder elkaar liepen in een reusachtig weefsel.

In die tien jaar tijd is er maar weinig veranderd. Dus als ik rook moet ik mijn gedachten erbij houden. Dat lukte niet toen ik ooit een sigaar stal uit de kast van mijn vader. Ze lagen er stijfjes in een doosje en waren een huwelijksgeschenk geweest, maar mijn vader was geen roker, dus lagen ze er na twintig jaar nog. Ik nam er eentje mee de tuin in, stak er de brand in, inhaleerde diep, kokhalsde en gaf over in de mesthoop waar ik toevallig naast stond. Wellicht is het door deze ervaring dat ik een gelegenheidsroker ben gebleven. Vijf jaar later kreeg ik van een studievriend een joint aangereikt. Een slechte, zei hij achteraf, toen hij in een steegje in Gent naast mij stond te kotsen. Wat ik me er nog van herinner is dat ik vanuit zijn kelderkamer de trap op strompelde en met de joint nog tussen mijn lippen ergens op een koertje op mijn rug ging liggen en eerder het gevoel kreeg dat ik een weidepaal aan het roken was in plaats van een joint. Bovendien ging er een en ander motorisch niet goed, want mijn linkerhersenhelft wilde voortdurend naar rechts en mijn rechterhersenhelft naar links. Opstaan en lopen ging dus niet, tenzij ik een gespleten persoonlijkheid wilde oplopen en daar had ik geen trek in. Dat was dan ook gelijk mijn laatste joint.

Je ziet ze niet veel meer, de echte paffers, de verstokte rokers. Niet in het dagelijkse leven, niet op foto’s in kranten of tijdschriften en niet op de televisie. Er is in deze tijden van obsessieve gezondheidsfreaks en -gadgets misschien een rookschaamte opgetreden. Het wordt een toekomstig taboe. Wellicht zitten de rokers, net als ik nu, heimelijk in hun kamer te lurken aan een sigaret die als een asociale middelvinger van tussen hun opeengeklemde lippen steekt, terwijl ze volledig opgaan in wat ze ook aan het doen zijn en niet in de gaten hebben dat de askegel intussen op hun broek is gevallen.