Selecteer een pagina

Niet zo ver van mijn huis – ik schat een kleine kilometer – woonde een Duitse dame aan de Zoutlandsedijk. Ze was hoogbejaard. Eén keer per maand parkeerde er een Renault met een Pools kenteken op de oprit voor de witmetalen poort en maaide een man het gras. Of hij harkte in de tuin.

Hij was van middelbare leeftijd, droeg altijd een bruine overall als hij buiten werkte en hij had een snor. Meestal bleef hij een paar dagen en verdween dan weer. Op het dak van haar huis, dat lager lag dan de polderweg waarop ik elke dag voorbijreed, rustten vier zonnepanelen. Ze waren van de eerste generatie en hadden een schoonmaakbeurt nodig. Naast het huis groeide een hoogstammige appelboom.

Telkens als ik met de auto passeerde, vertraagde ik om het rood van de appels te bekijken. Het was van een matte, donkere, bijna paarse tint. Elk jaar plukte de Pool de appels vroeg, eind augustus, en droeg de halfvolle juten zak die hij eerst een rondje liet draaien alvorens hij hem op zijn rug gooide bij de Duitse dame naar binnen. Had ze een kelder? Liet hij de appels voorzichtig rollen in houten kratten met stro op de bodem en werden ze daarna afgedekt om in het donker verder te rijpen? Of ze maakten er appelmoes van en legden die in in kleine glazen weckpotten.

De dame was waardig oud geworden, ook al mankte ze lichtjes en liep ze krom. Als ze zich in de buitenlucht waagde en in haar sloffen behoedzaam over de tegels die haar huis omzoomden schuifelde, vertikte ze het te lopen met een wandelstok. Ze gebruikte de vensterbanken als steun. Op haar achterhoofd droeg ze een knot met een grote speld en altijd hetzelfde gebreide vest. Soms lagen er lege vuilcontainers op hun flanken in het gras naast de weg, omgekieperd door een venijnige stoot van de polderwind, met deksels die klepperden. Een paar keren ben ik gestopt en uitgestapt om ze rechtop te zetten. Dan tuurde ik even naar beneden, door het glasgordijn voor het raam, maar nooit zag ik haar zitten.

Nu is ze dood en staat het huis leeg en het onkruid schiet op tussen de stenen van de afhellende oprit; de energie van de zonnepanelen stroomt weg, ongebruikt en ongehinderd. Ik vraag me af waar haar lichaam naartoe is gebracht.

Het waren warme najaarsmaanden. De appelboom droeg zijn appels en het waren er vreselijk veel dit jaar. Maanden bleven ze hangen aan doorbuigende en bladloze takken. Tot in februari de stormen opstaken en de steeltjes braken en ze op de stoeptegels naast haar huis rolden. De Pool kwam niet meer opdagen. De appels bleven er liggen rotten in een matrode mozaïek. Die in het gras onder de boom waren gevallen bleven het langst liggen.

Telkens als ik nu voorbijrijd denk ik aan het ongenadige verstrijken van de tijd, aan de zekere dood, aan de mensen, dieren en dingen die ons hebben geraakt en die we achterlaten.

Het is verbazingwekkend hoe lang een ongeschonden valappel in het gras onder de boom blijft bestaan.