Selecteer een pagina

Ooit was ik student aan Trinity College Dublin en tegen het einde van het academische studiejaar, nadat ik alle papers had geschreven en ingediend, in juli 1997, kwam een jeugdvriend op bezoek. Het idee was om een poos samen zonder vooropgezet plan wat rond te trekken en daarna terug naar huis te vliegen. De temperaturen liepen toen ook aardig op.

We vertrokken al liftend en werden algauw opgepikt door een Frans koppel. We konden meerijden tot in Noord-Ierland en die avond belandden we in Enniskillen, een stadje dat internationale bekendheid verwierf door een IRA-aanslag in 1987 waarbij 11 mensen werden gedood. We stapten er een bar binnen en dronken wat en onderwijl vertelden we de barman dat we nog geen plek hadden om te slapen. Hij bood ons een slaapplaats aan, maar die sloegen we af. We waren toen nog stoer en avontuurlijk.

Uiteindelijk sliepen we die nacht op een houten bank onder een brug verderop. De volgende dag trokken we verder en doorkruisten, deels met de bus, deels te voet, county Sligo. Nabij een dorpje werden we er door een trotse tandeloze inwoner op gewezen dat op dat brugje verderop (waar hij naar wees) John Wayne ooit nog had gestaan in een van zijn westerns. Door de hitte stopten we regelmatig en af en toe zochten we verkoeling in een van de vele meren in Sligo. Dat water was zo stil en donker dat ik het niet aandurfde ver te zwemmen uit vrees dat een of ander zeemonster, zoals de Schotse Nessie, haar gretige tanden in mijn mannelijkheid zou zetten (als je langere tijd in Ierland vertoeft, begin je ook in sprookjes te geloven). 

Die dag bezochten we in Drumcliffe het idyllische graf van de Ierse dichter William Butler Yeats, waarbij ik lange tijd stond te kijken naar het grafschrift: Cast a cold Eye/ On Life, on Death./ Horseman pass by! En net toen we het kerkhof verlieten, kwam er een man in onze richting gewandeld. Hij was ladderzat en zong en toen hij ons passeerde, hield hij even halt, keek ons met een schuin oog aan en riep opeens uit: Fockin’ heat! Daarna zwalkte hij verder. De timing van deze poëtische uiting kon niet beter; dit was een land naar mijn hart. 

Die nacht sliepen we in Clifden, te dicht bij het water, en werden we door een gulzige zwerm minuscule pestvliegen lek gestoken. De volgende ochtend zaten we beiden onherkenbaar onder de bulten en trokken we olijk verder. Uiteindelijk eindigden we in the Dublin mountains, in Johnnie Fox’s pub, waar eerste ministers, staatshoofden en zelfs later Brad Pitt en Angelina Jolie nog zijn langsgeweest. Van daar liftten we terug naar de stad. We werden meegenomen door een bebaarde Ier die het almaar had over zijn favoriete Ierse schrijver en bad boy Brendan Behan (later heb ik alles van Brendan Behan verslonden) en, ongelofelijk, maar waar: toen we halt hielden voor een stoplicht, stak de Ier zijn hoofd naar buiten en riep tegen niemand in het bijzonder: Fockin’ heat!