Selecteer een pagina

Deze week heb ik voor het eerst in een automaat gereden. Ik heb het lang kunnen uitstellen, maar op een dag moet je eraan geloven. Telkens als ik aan een automaat dacht, zag ik de nieuwe knalrode fiets voor me die ik op mijn tiende verjaardag cadeau kreeg: ik fietste als een gek op het trottoir in onze straat, trok te hard aan de remmen en vloog over het stuur. 

Dus uit schrik om tijdens een testrit finaal op de rem te gaan staan en tegen de ruit te knallen, duwde ik mijn linkervoet keihard in de hoek, alsof ie vastgenageld zat. Dat werkte. Mijn rechterhand zweefde wel een paar keer boven een of ander pook met knopjes, maar ook dat zorgde niet voor ongelukken. En het moet gezegd: zo’n automaat is toch wel gemakkelijk, ook al ben ik eigenlijk een man van de pook. 

Het deed me terugdenken aan de ritten in de grasgroene Vauxhall Viva van mijn vader, een auto met verchroomde bumpers en zwartplastieken zetels waar je je gat en billen aan brandde op loeiwarme zomerdagen. Ik zat achteraan en terwijl mijn vader de pedalen bediende, mocht ik aan het stuur draaien, iets wat mijn moeder allesbehalve fijn vond. Dat was in Diksmuide, langs de vaart en ik weet nog dat ik steeds naar dat smerigbruine water keek en bang was om erin te rijden. 

Later, toen we alleen waren, zat ik soms vooraan naast hem en mocht ik de pook verzetten, om het gevoel in de vingers te krijgen. Ik was een jaar of dertien. Dat waren toen nog van die poken die nog niet zo soepel schakelden en af en toe kraakten de tandwielen. Toen ik eenmaal mijn rijbewijs had, kocht mijn vader een auto voor me, een Peugeot 405. Met een spoilertje. Die auto heb ik nog meegenomen toen ik naar hier verhuisde, maar in een verraderlijk afdalend en met bladeren bedekt polderbochtje begon ik te schuiven, trok te hard aan het stuur in de tegenovergestelde richting, reed een verhoogde bermhelling op, trok weer te hard aan het stuur (deze keer te veel naar de andere kant) en belandde ondersteboven op het asfalt. 

Twee bejaarde dametjes die aan het wandelen waren, schrokken zich een bult door het gezicht en het geluid van schrapend metaal over asfalt en moesten gaan zitten. Ik hing ondersteboven in de stoel en had moeite om de gordel los te klikken. Uiteindelijk lukte dat en trapte ik de voorruit in om zo snel mogelijk uit de auto te kruipen, bang dat ik was dat iemand achterop zou knallen. 

Een bewoner had het kabaal gehoord en de ambulance gebeld, maar toen die ter plekke kwam hadden de oude dametjes meer nood aan hulp dan ik zelf. Van de adrenalinestoot hupte ik naar huis om daarna als een blok in slaap te vallen. Dat was het jammerlijke einde van de Peugeot. Maar ik bleef een man van de pook en alle auto’s die volgden moesten er een hebben. Nu ben ik oud en wijs en lui genoeg om het idee van de noodzakelijke pook los te laten en te kunnen genieten van pookloos rijden.