Selecteer een pagina

In een tent slapen is altijd een genot. Althans voor mijn tweeling. Dat vinden ze fantastisch. Ze hielpen me goed bij het opslaan ervan: de stokken aaneenrijgen en ze klaarleggen. Daarna hielden ze het voor gezien en gingen ze spelen en kon ik verder alleen de tent opzetten. Tegen de tijd dat de haringen in de grond geslagen moesten worden, kwamen ze terug en deden hun best om te helpen. Maar de hamer was zwaar en de grond hard. 

De tent heeft drie slaapcompartimenten rondom een groot centraal gedeelte. Precies genoeg. Gretig kozen ze hun plekje uit en daarna mocht ik weer aan de slag, want ze willen natuurlijk niet op een luchtbed slapen. Dus sleepte ik de zware matrassen uit hun slaapkamer de trap af, naar buiten. Daarna de dekbedden en kussens. De knuffels moesten ze zelf verzamelen en naar de tent brengen en ook hun bed dienden ze zelf op te maken. 

De eerste avond wilden ze al vroeg gaan slapen. Daar lag ik dan. Om 21.00 uur onder de lakens. Dat kon geen kwaad, dacht ik, want om vijf uur ’s ochtends begon het koeren van die grote rotduiven waar het dit jaar vol van zit, steevast gevolgd door opdringerig ekstergekras en waarschuwende merels. Dus vroeg onder de veren kon geen kwaad. Ik lag goed en wel neer toen ik een dun straaltje water tegen de tent hoorde lopen, op zo’n tien centimeter van mijn hoofd. Het bleek onze kleine hond te zijn, die zojuist zijn plasje had gedaan. Ik voelde nattigheid, want iedereen die meer dan één hond heeft, weet wat er daarna gebeurt. Ik hoorde hem al aankomen, onze joekel. En zijn straal was op zijn minst gezegd levenslustig te noemen. Vloekend ritste ik het zeil open, stelde de jongens gerust dat ik niet lang weg zou blijven, vulde een emmertje water en goot het over de pisplek. Daarna legde ik mijn hoofdkussen aan de andere kant. 

Het begin van de nacht verliep voorspoedig en snel sliepen de jongens in. Ze werden niet wakker van hun grote broer, die om elf uur vol gas op zijn scooter terugkwam en ook niet van de brandweer die met loeiende sirenes passeerde. Tot ik opeens een stil stemmetje in het donker hoorde: ‘Papa, ik moet plassen.’ Opstaan en mee naar buiten dan maar. Ik lag net terug onder de lakens en weer een stemmetje, deze keer van de andere kant: ‘Papa, ik moet ook plassen.’ Tja, het is een eeneiige tweeling. Communicatie verloopt bij hen soms op een ongrijpbare en onbegrijpelijke wijze. Oké. Naar buiten. Daarna sliepen ze snel weer in. 

Rond middernacht begon het te bliksemen en donderen. ‘Papa, is dat onweer?’ ‘Jazeker.’ Stilte, doorkliefd door een bliksemflits. ‘We willen terug naar onze kamer.’ ‘Het zal niet lang duren, jongens,’ zei ik sussend. ‘Ga maar weer slapen.’ Precies nadat ik deze woorden had uitgesproken werden we door een krakende donderslag bijna uit de tent gebonjourd. ‘Het is goed, jongens. We gaan naar binnen.’ Een half uur later had ik alle matrassen, dekbedden, kussen en knuffels weer naar binnen, de trap op gezeuld, en konden ze weer vredig in hun bedtent slapen, want ja, ook in hun slaapkamer staat er een tent. ‘Morgen weer, papa?’ ‘Tuurlijk, jongens. Morgen weer.’