Selecteer een pagina

Iedere mens droomt elke nacht, zegt men. Alleen herinneren velen van ons zich bij het ontwaken niets meer. Dat is bij mij meestal het geval, behalve vorige week. Die droom staat me nog levendig voor de geest. Het had misschien ook te maken met een slechte pint die ik de avond ervoor had gedronken, een Nederlands prutbiertje. 

Eerst dacht ik dat ik werd afgevoerd in een dwangbuis, want ik kon me amper bewegen, ook al werd ik toch ergens naartoe gebracht. (Ik had alleen witte sokken aan.) Bij nadere inspectie bleek het een soort van darm te zijn die me met peristaltische bewegingen in één van de slechts twee richtingen duwde. Ik liet me nieuwsgierig en op mijn gemak naar het uiteinde meevoeren, want ik zag daar beweging. Van ver leek het op een deinende lusthof vol naakte, exotische vrouwenlichamen. Daar stond me wat paradijselijk plezier te wachten, dacht ik.

Maar toen de darm me met een laatste duw uitspuwde viel ik niet tussen de warme lichamen van vrouwen, maar in een kuip vol grote, wriemelende maden. Om mijn teleurstelling te verwerken en omdat ik ondertussen honger had gekregen, nam ik twee grote happen uit zo’n made en kroop met alle moeite van de wereld terug de darm in, vol verwachting op naar de andere kant. De darm werkte mee en stuwde me duw voor duw naar het gat aan het uiteinde, waar ik in een verblindend licht ook weer beweging waarnam. Nu leek het op een vlakte van naakte mannenlichamen. Dat beviel me allerminst, dus probeerde ik uit alle macht tegen de duwbewegingen van de darm in terug naar de madenbak te kruipen. 

Dat lukte niet en alsof de darm geïrriteerd raakte door mijn pogingen de andere richting uit te gaan, werd ik met een knal uitgescheiden. Ik belandde in wat op het eerste zicht leek op een ballenbad. Echter, de ballen waren lauw en organisch en ik kreeg het idee dat het eerder aambeien of poliepen waren. Honger had ik niet meer. Dus weer kroop ik de darm in, in de hoop een derde opening te vinden en opnieuw te worden gebaard, maar deze keer in een verrukkelijker omgeving. Tegen alle verwachtingen in merkte ik ergens in het midden een ovale opening. Zonder ook maar een seconde te aarzelen verkoos ik mijn lichaam erdoorheen te wurmen. Ik verloor daarbij een sok, maar dat was het minste van mijn zorgen. Ook belandde er een klodder van een of ander goedje in mijn gezicht; dat smaakte niet slecht. 

Ik had er goede hoop op in een hemelse tuin van Eden te belanden, want ik had opeens zin in een appel. Dus ik kroop door een eindeloze gang die steeds welriekender werd tot ik opeens wind door mijn haren voelde waaien. Dat was vreemd, want veel haar heb ik niet meer. Dat was het moment waarop ik begon te beseffen dat een en ander niet klopte. Maar in weerwil van die sceptische gedachten vervolgde ik toch mijn weg en, warempel, zag ik daar niet een…?

Eindelijk.

‘Zeven uur! Tijd om op te staan!’