Selecteer een pagina

Wat zal ik eens doen vandaag? God is al lang dood en alle kerken zijn cybercafés geworden, de mens heeft geen vaste kern, want identiteit is nog vloeibaarder dan diarree en technoligie is het enige geloof dat er na een reeks internationale WAN-parties die net niet uitmondden in een Derde Wereldoorlog met champignonwolken overschiet. 

Mijn gechipte achterkleinkinderen met verkorte ledematen, overgewicht en een gezwollen frontale hersenkwab liggen in een digicoma op de bank met een sensoraangedreven augmented-realitybril op zich te vergapen aan een vintage 4D-versie van de Tele Chubbies, terwijl ze ook nog eens het spannende verhaal van Dikkie Dik met de kromme pik lezen – ja, lezen kunnen ze nog en een team van technoschappers heeft uitgevogeld dat ze maar beter vroeg met bitporn kunnen beginnen, kwestie van groepsimmuniteit opbouwen. – Zo te bezien willen die niet met superpepe spelen, al heeft die ook een patch gehad met gepimpte bloedcellen die zijn hersenupdate nog beter doen functioneren en tegelijkertijd een shutdown forceert van zijn incontinente leidingstelsel. 

Pepe ruikt nog steeds te veel naar vroeger, de tijd van lelijke, domme en unieke mensen. Zal ik op deze fijne zondagochtend dan maar met mijn lasertuinpistool de irritante ekster van de dakgoot schieten die kraait als een zieke haan en dus wel een bug in zijn software moet hebben? Goeie ouwe tijden. Mijn vrouw denkt daar anders over. ‘Je zou beter de seriële circuits van de seringen doorspoelen.’ Terwijl ze dat zegt kijkt ze me oneindig liefdevol aan met de facetogen van een vlieg. Ook al is ze 99, ze is rimpelloos want ze strijkt zichzelf elke avond. Ik niet. Ik heb voor rimpels gekozen, dat is het recht van de designerman en een door de melancholiepolitiek gemotiveerde keuze. Ik hou wel van een harde kop. 

Maar ik heb nu even geen goesting in het doorspoelen van seriële seringen. Het is me wat. Moest ik hiervoor 100 jaar oud worden? Het doet me toch met enige weemoed terugdenken aan mijn laatste job, zo een jaar of tien geleden, als geluksmanager bij RipThisShit, een startup van een wereldwijd woedebeheersingsbedrijf dat als logo (en dat vond ik het enige minpuntje aan dat bedrijf) een Gifje van die narcistische Amerikaanse president had die zich naar het voorbeeld van de gebalsemde farao’s liet bitsemen en zodoende nog steeds mijn gechipte achterkleinkinderen lastig valt. Sommigen willen echt niet dood. 

En dan staat opeens Buzz naast me, mijn jongste achterkleinkind. Hij is pas zeven. ‘Pepe, wil je de bullseye aandoen?’ ‘Vandaag niet, jongen. Ik heb nog pijn van de laatste keer.’ ‘Toe, pepe. Neem dan toch gewoon een morfoshotje. Nog een laatste keer en dan vraag ik het voor een eon niet meer.’ ‘Allez. Het is goed, jongen.’ Mijn vrouw lacht haar gestreken glimlach, de ekster die eerder kraaide als een zieke haan roept nu als een spotvogel en terwijl ik de bullseyebroek van de haak haal en aantrek, de schijf op mijn achterste goed draai, pakt Buzz het lasertuinpistool en geeft me tien tellen om tussen de seriële seringen weg te spurten.