Selecteer een pagina

Vorige woensdag was het warm, zo warm dat ik zat te stomen in mijn auto die ik bij gebrek aan een schaduwrijke plek in de volle zon had geparkeerd. Terwijl ik wachtte tot school uit was, opende ik de autoruit en keek naar het gras aan de overkant van de weg dat begon te verdorren. Ik zat een poos in gedachten verzonken, toen ik drie dikbuikige fietsers in korte, felgekleurde shorts aan zag komen. 

Ze hadden makkelijk naast elkaar kunnen fietsen, maar ze verkozen netjes achter elkaar te blijven. Toen ze dicht genoeg genaderd waren zag ik dat ze alle drie het syndroom van Down hadden. Ze droegen geen helm, er was geen begeleiding en in tegenstelling tot wat ik altijd had gehoord over die mensen, namelijk dat ze goedlachs en goedgehumeurd waren, scholden de voorste twee elkaar verrot. Het zou me niet verbaasd hebben als ze bovenop hun genetische afwijking ook nog eens behept waren met een fenomenaal indrukwekkende scheld- en vloektic. Slechts een paar meter achter hen fietste een Afrikaanse vrouw, maar niet voor lang, want ze wilde waarschijnlijk haar oren niet geloven, gaf plankgas en stak de scheldende mannen stampend voorbij. 

Ik moest denken aan mijn eerste echte vakantiebaantje in het pretpark Bellewaerde. Ik was 16 en via allerlei prutsjobjes zoals papier rapen met een lang tangachtig voorwerp en het uitdelen van juten zakken bij de glooiende glijbanen werd ik op een goede morgen gepromoot tot bediener van het knoppenpaneel van de bootjes bij de junglerivier. Het waren redelijk grote bootjes met rieten daken en wel plaats voor vijftien mensen en via een systeem van kanalen werden de bootjes door een stalen kabel over een onderwaterspoor voortgetrokken, terwijl de mensen zich vergaapten aan taferelen uit Het zoemende ei van de striphelden Suske en Wiske. 

Deze boottochtjes waren favoriet onder de ouden van dagen, jonge ouders met baby’s en begeleide groepen van zwakbegaafden en mentaal gehandicapten. Er was slechts één knop die werkelijk van belang was, namelijk de knop die de waterval waaronder de bootjes doorvoeren moest doen stoppen. Op een verwarde dag vergat ik op die knop te drukken en toen het bootje gevuld met een groep volwassenen met het Down syndroom en hun begeleiders terugkwamen stond er tien centimeter water in en leken de doorweekte inzittenden eerder op een groep drenkelingen dan op kirrende pretparkbezoekers. Toch kon de pret niet op, want de mentaal gehandicapten joelden van plezier, maar de begeleiders scholden me op zeer energieke en originele wijze de huid vol.

De volgende ochtend bleek ik een nieuw baantje te hebben. Ik mocht de trotse mascotte van Bellewaerde zijn, KONING LEEUW, en bijgevolg moest ik de hele snikhete dag in een dik leeuwenpak door het park banjeren met een kop van wel vijftien kilo op mijn schouders om op de foto te gaan met ambetante kinderen die er niets leukers op hadden gevonden dan aan mijn manen te trekken, zodat ik die zware leeuwenkop regelmatig tegen mijn voortanden kreeg. Ik schold ze dan ook maar verrot, die kinderen.