Selecteer een pagina

Meme, mijn grootmoeder aan moederszijde, woonde op een boerderij in Loppem, een dorpje nabij Brugge. Als kind bezocht ik haar samen met mijn broer en ouders om de twee weken op zondagmiddag. Dan moesten we koffie drinken waar ik van kokhalsde en speelden we iets verderop in het bos in een grot waarin Mariabeelden stonden en kaarsen en rode theelichtjes brandden. Voor de grot meanderde een diep uitgesneden beekje onder een wandelbrug door. Vaak onderdrukte ik de neiging om erin te springen.

Haar leven lang sliep meme in het bed waarin ze werd verwekt, waarin ze beviel van haar zeven eigen kinderen – dus ook van mijn moeder – en waarin ze uiteindelijk stierf. Dat bed is het enige wat ik na haar dood heb meegenomen. 

Ik wilde het boven in mijn schrijfkamer opslaan, er een museumstuk van maken en er misschien zelf eens in slapen. Wie weet kreeg ik tijdens de nacht woorden van mijn moeder ingefluisterd. Maar het hout was poederdroog en wormstekig en verpulverde toen ik het uit elkaar haalde, dus heb ik het maar weggedaan.

Ik had respect voor meme. Dat was niet evident, want toen ik een eigenzinnige tiener was had ik de overtuiging dat je niet zomaar respect voor bejaarden moest hebben juist omdat ze een hoge leeftijd hadden bereikt. Wat als je buurman van tachtig een klootzak was die in zijn gezonde jaren een kwade afdronk had en zijn vrouw en kinderen sloeg? Of erger: wat als die vrouw van negentig kampbewaarster was geweest tijdens de oorlog? 

Zo dacht ik toen. Maar voor meme had ik respect. Ze was 21 toen de oorlog uitbrak en dagelijks eieren moest brengen naar de Duitse soldaten die bij hen ingekwartierd waren. Ze verloor haar man. Hij was 57 toen hij zich in de stal waarin wij nooit mochten spelen aan een spant verhing. (De ladder stond er nog en stiekem kropen we er toch op en verschuilden ons vol ontzag op de stoffige zolder.) Hij stierf in 1975, het jaar waarin ik werd geboren en er een foto is gemaakt toen ik na het doopsel in zijn armen lag. Ze verloor haar dochter – mijn moeder – en twee zonen. Maar krakkemikkig als haar lichaam was, ze ging door. Haar geest bleef vlijmscherp en ze was niet gezegend met een slecht geheugen. Ze absorbeerde soaps en volgde de geboortes van de kleinkinderen en achterkleinkinderen op de voet. Alle data kende ze van buiten. Op hoge leeftijd had ze een bochel en mijn kinderen waren bang voor haar, want als ze achter haar stonden, dan zagen ze haar hoofd niet. Nooit kreeg ik hen op schoot bij meme. 

Ze werd uiteindelijk 92. Voor haar begrafenis had ik een tekst geschreven en ik las die voor. Ik noemde haar daarin Jenny, niet meme. Want als je respect hebt voor iemand, dan roem je de naam die ze hun hele leven hebben gedragen. Nu durf ik te stellen dat de meeste bejaarden deugen en dat respect voor ouderen, alleen al omdat ze de littekens van de verstreken jaren met zich meedragen, meestal op zijn plaats is.