Selecteer een pagina

Ik weet dat hij er ligt, tussen al de andere dessertlepels, want ik heb hem er twee jaar geleden zelf neergelegd. Hij is de enige in zijn soort, met een kunstzinnig handvat en hij ligt daar verweesd. Hij is al oud en heeft meer dan veertig jaar de vier monden van het gezin van mijn kindertijd bediend. Het is er niet aan te zien. 

Nu rust hij moederziel alleen in een bestekla in Ossenisse. Maar hij komt van een la uit de Sint-Livinusstraat 61 in Elverdinge. Daar lag hij waar hij hoorde, rinkelde dagelijks frivool tussen gelijkgestemden. Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik hem terloops zie, hem uit het plastic korfje van de vaatwas haal, of hem in gedachten verzonken door de koffie met melk roer. Telkens wil ik erin trappen, in de val van de herinnering, want dat is precies de reden waarom ik de lepel in de la in Ossenisse heb gelegd.

Ik zie de lepel in de mond van mijn moeder, tussen haar lippen, terwijl we op een winteravond samen voor de televisie zitten en het haardvuur knettert. We eten het dessert dat ze even daarvoor in de keuken heeft bereid. Chocolademousse van Saroma, of vanillepudding van Imperial. De kans is groot dat ik in de keuken naast haar stond, haar zelfs hielp met het kloppen van het poeder in de koude melk of haar de bruine suikerpot aanreikte die ze op de lauwe pudding strooide. Als kind stond ik vaak naast mijn moeder in de keuken, dat vond ze fijn.

Als mijn ouders voor mij aan tafel zaten en in stilte van het dessert aten, keek ik aandachtig naar wie de lepel in zijn mond stak. Meestal was dat moeder. Had ze een zwak voor die lepel?

Toen ze gestorven was, verhuisde de lepel naar de mond van mijn vader. Ook wij zaten samen in de zetel en keken op eenzame winteravonden naar de televisie, terwijl het haardvuur knisperde. We aten het dessert dat ik even daarvoor in de keuken had bereid. Ik wist hoe het moest. Maar voor mijn vader was het altijd vanillepudding van Imperial, want die vond hij het lekkerst. Met wel twee lagen speculaaskoekjes erin, het koekje van de bovenste lag zichtbaar.

Nu liggen mijn vader en moeder in een betonnen kelder op het kerkhof van Elverdinge en maak ik soms pudding van Imperial voor mijn kinderen. Zowel vanille- als chocoladepudding. Ik zie de lepels in hun monden; het zijn bijna allemaal dezelfde, lepels met strakmetalen handvaten en een gaatje aan het uiteinde. Ik pak mijn onverwoestbare lepel die in de mond van mijn vader en moeder heeft gezeten, loop naar de tafel en leg hem naast mijn kommetje. Mijn kinderen slaan er geen acht op, weten niet dat in die lepel mijn kindertijd verscholen ligt en met onzichtbare melancholie door de val van de herinnering waarin ik immer wil trappen, steek ik de lepel in mijn mond en proef de pudding van vroeger.