Selecteer een pagina

De grote vakantie. Twee volle maanden niet naar school. Rolluiken die half gesloten waren om de koelte in huis te bewaren, buiten eten op de zelfgemaakte bank, bananenmilkshake, het gele opblaaszwembad en kleren en haren die roken naar hars door het spelen van verstoppertje achter de sparren totdat het donker was. Een zinderende tijd van zorgeloosheid. 

Eén keer zijn we op reis geweest, naar de Belgische Ardennen, in een hotel nabij Spa dat lang geleden gesloopt is: Annette et Lubin, op een heuvel. Die naam vergeet ik nooit. Mijn broer en ik sliepen er samen in een groot bed, luisterden naar zijn cassetterecorder die hij mee had genomen. We gingen naar de watervallen van Coo en daar reed ik voor de eerste keer in een kart. Voor mij scheurde een Jood, haalde mij keer op keer in, terwijl ik me steeds zat af te vragen hoe het kwam dat zijn keppeltje zo netjes op zijn hoofd bleef zitten. Tot hij uit de bocht ging, tegen de autobanden botste en ze de boel stil moesten leggen om hem te verlossen. Hij mankte van het parcours af, keppeltje nog steeds op zijn hoofd. 

Rondom het hotel lagen bossen en maakten we lange wandelingen waarbij mijn broer en ik op de scherpe helling tussen de grote wortels van de bomen kropen, die op uit de grond wroetende trollenarmen leken, angstig dat er misschien een everzwijn of een wolf ons gadesloeg en we snel weer tussen de bomen naar beneden liepen, zo snel dat het moeilijk was om te stoppen. Langs het wandelpad balanceerde ik graag op een stenenrand, totdat mijn ouders me waarschuwden dat ik niet moest vallen, want de stenen staken uit en ik, die hen in alle baldadigheid geruststelde dat ik nooit val. Maar ik viel toch; een scherpe steen boorde zich drie centimeter in mijn knie, bloeden als een rund en de flap vel die er los bij hing. Die avond bette mijn moeder mijn knie en zei tegen vader dat we naar de dokter moesten, want het moest genaaid worden en mijn vader, die rustig antwoordde dat we dat niet zouden doen, dat ik gewaarschuwd was. 

Ik zat nergens mee, het was grote vakantie. Er moest in de grote vakantie ook altijd gefietst worden en niet zomaar een rondje: naar het West-Vlaamse Heuvelland. Dan gingen we over de Kemmelberg, de Rodeberg, de Scherpenberg en, dicht tegen de Franse grens aan, de Zwarteberg. Ik reed mijn kont erop stuk, want ik had zo’n hardplastieken zadel en in mijn slechtste moment, toen iedereen mij gepasseerd was, schijn ik te hebben uitgeroepen: ‘Papa, ik kan niet mee!’ Dat zinnetje achtervolgde me jarenlang aan de staart van elke grappige anekdote over onze fietstochtjes in Heuvelland. 

Er was ook nog de Meli, Bellewaerde en natuurlijk de Noordzeekust. Mijn vader had een hekel aan zand in zijn auto, broek of tussen zijn tenen, dus die Noordzeekust hebben we ook niet zo vaak gezien. Maar als we gingen, hadden we de binnenband van het achterwiel van een oude tractor mee en deinden mijn broer en ik een hele middag op de grote groene golven. Daarna, moe maar tevreden terug naar huis, met zand in de auto, in de broek en tussen de tenen. Grote vakantie!