Selecteer een pagina

Ik woon al zestien jaar in Zeeuws-Vlaanderen, maar vorige week was ik voor de eerste keer in Domburg. Ik mijd al te toeristische plekken, maar de drukte viel gelukkig mee. Er was ruimte genoeg op het strand en in het bos en de Duitsers bleven op afstand. De zegeningen van corona. In de winkelstraat, die waarin Ristorante Verdi zich bevond (de pizzeria waar ik een pepperoni pizza bestelde waarop na grondige inspectie geen pepperoniworst te bespeuren viel en de blonde serveerster me stellig liet verstaan dat bij haar Ristorante Verdi pepperoni pizza met pepertjes was), de enige straat van Domburg die ik ben doorgelopen, stond een man die het fietsverkeer regelde, het is te zeggen, hij verplichtte de fietsers af te stappen en al wandelend verder te gaan. Op korte beentjes liep hij heen en weer en op zijn hesje stond: Coronacoach. Het deed me denken aan cockroach, Engels voor kakkerlak. En ik had nog niet eens een pint op.

We sliepen in Kasteel Westhove, Stayokay Domburg. Het was okay, al verwachtte ik geen stapelbedden en wandtegels die me herinnerden aan de gangen van mijn ondertussen gesloopte basisschool in Elverdinge. Mijn vrouw had geboekt en de tweeling was mee, die vindt stapelbedden geweldig. Vandaar. Ik kon niet op de rand van het bed zitten zonder mijn hoofd te stoten. Maar okay, het was vakantie, niet klagen. De omgeving van het kasteel zelf was indrukwekkend: geurige bossen, leuk terras, Museum Terra Maris met de prachtige landschapstuinen vol bloemen, kruiden en groenten vlakbij en het slootwater rond het kasteel was zo zwart als de nacht, met erbovenop een tapijt van ontelbare waterlelies. 

Ik nam de tweeling mee naar de ophaalbrug bij de ingang, gaf ze een sneetje brood om in dat pikzwarte water te werpen en te kijken of er wel vissen in zaten. Van alle kanten schoten opeens eenden van onder het groen als speedboten op het brood af, schrokten het naar binnen en zaten elkaar ondertussen te bekijven als ouwe wijven. Vissen hebben we niet gezien. Dan maar pingpongen met een gedeukt balletje. Ook dat vond de tweeling geweldig. Na afloop hadden ze dorst en wilden ze graag een warme chocolademelk met slagroom. Die bestelde ik en mijn vrouw en ik keken toe hoe de jongens de slagroom door de melk roerden, ervan genoten en de boel gulzig naar binnen goten.

Het zijn jongens die gesteld zijn op routine, en als ze eenmaal iets leuk vinden, dan vinden ze dat ook erg leuk. Dus de volgende dag, na weer een dagje strand, bos, eenden eten geven en pingpongen wilden ze een warme chocomelk. Opnieuw ging ik naar de bar om die te bestellen. De vrouw van de vorige avond was verdwenen en deze keer stond er een man. Als je in zijn ogen keek, toch wel de spiegels van de ziel, dan had je het gevoel dat je de bodem zag. Hij opende een deur, keek wat rond en zei ten slotte dat de chocomelk op was. Ik wees fijntjes naar de flesjes van het merk Chocomel in de koelkast achter hem. ‘Tja, maar we maken warme chocolademelk uit kartonnen pakken en niet uit flesjes en bovendien is de melk in de flesjes koud.’ ‘U kunt de inhoud van deze flesjes vast zonder problemen door uw machine jagen,’ probeerde ik nog. Het mocht niet baten. Die avond geen chocolademelk voor de jongens en dat was even niet okay in Stayokay. 

Gelukkig stond er de volgende dag opnieuw een vrouw achter de bar. Ze draaide zich om, nam twee flesjes uit de koelkast en maakte er heerlijke chocolademelk van. Daarna gingen de jongens blij slapen in hun stapelbed in Domburg.