Selecteer een pagina

Deze week heb ik met drie van mijn kinderen drie dagen lang in de Efteling rondgehangen. Je moet wat met vakantiehoudende kinderen. Ik gruwelde bij de gedachte aan drie dagen, want meestal ben ik na één dag Efteling euforisch dat ik huiswaarts kan keren en ben ik weer voor een decennium genezen van pretparken. Echter, deze keer viel het mee, zelfs drie dagen lang. 

Gewoon in het park wandelen was goed te doen, want er stonden overal pijlen op de grond die de looprichtingen aangaven. Je hoefde dus niet uit te kijken dat je opeens frontaal botste met rennende kinderen of jonge vaders die net iets te gretig buggy’s voor zich uit duwden, al liep er wel eens een verdwaalde koter voor mijn voeten. Ook het wachten bij de attracties was een verademing in vergelijking met mijn vorige bezoeken: geen zwetende lijven voor of achter je, geen gehijg of gekuch in je nek, geen andermans gillende of zeurende kinderen.

Ik durf zelfs te stellen dat in de Efteling alles rustig en ordentelijk verliep. Overal waren rood-met-witte lijnen op de grond geplakt en alleen op of naast de witte strepen mocht je staan. Dat er hier en daar een onoplettende pretparkganger (mezelf incluis) een en ander niet altijd in de gaten had, valt dan makkelijk te vergeven. Het verbaasde me zelfs hoe gedwee de mensen de regels aanvaardden en uitvoerden, ook de mondkapjes in de binnenruimtes van de attracties, hier en daar een onoplettende pretparkganger (mezelf incluis) die het mondkapje überhaupt in het park vergat mee te nemen daargelaten.

Ik zat er met mijn kinderen natuurlijk in de Baron, de Python en Joris en de Draak en nog meer van die dingen die een mens eens grondig dooreen rammelen. Maar die Python deed me denken aan mijn jeugdbezoeken aan het pretpark Bellewaerde. Daar hadden ze een wereldprimeur met de in 1984 gebouwde Boomerang. Ik was toen 9 en we gingen eens een dagje Bellewaerde doen met nonkel Juul om die Boomerang uit te testen. 

Nonkel Juul was een bruingebrande, afgetrainde coureur met grote spierballen op zijn bovenarmen en zijn kuiten en nonkel Juul kon alles sneller en beter. Hij zou mijn broer en mij eens aftroeven met het aantal keren dat we na elkaar in de Boomerang konden gaan. Dat was vooral tegen sluitingstijd, toen al die Fransen huiswaarts keerden en de wachttijden kort waren. Na de derde keer stond nonkel Juul te kotsen achter de vuilnisbakken bij de picknickweide. Als er toen zo’n fotoservice had bestaan, dan had hij de werknemer waarschijnlijk gevraagd die snel van het scherm te halen, want bleker had ik een mens nog nooit gezien. Mijn tante veegde toen met haar zakdoek de laatste brokjes van zijn kin en ondersteunde hem de rest van de avond. 

Mijn broer en ik haalden de tien en toen kregen we een ijsje. Ik wilde zo’n XXL Cornetto-achtig geval van wel 100 franken, een joekel van een hoorn met een enorme bol ijs erop. En terwijl mijn vader me meerdere keren waarschuwde dat ik niet te hard op de koek mocht duwen, want dat anders de hele santenkraam op de grond zou vallen, kraakte de koek onder mijn gulzige vingers en viel de hele hap op het grind voor mijn voeten, kreeg ik als beloning een klets tegen mijn kaak, en gingen we blij en voldaan naar huis.