Selecteer een pagina

Het blijkt dat sommige mensen in coronatijd een korter lontje hebben gekregen. Of misschien hadden ze dat voordien ook al, maar werd het nog korter. Zeker als er honden in het spel zijn, want het is met honden net als met kinderen: die van jezelf zijn de leukste.

Toen mijn hond in precoronatijd eens kwijlend en kwispelstaartend door het open hekken liep, een getatoeëerde vrouw met een terriërteef tegemoet, ging ze met haar volle ponden gillend als een varken op het asfalt liggen. Een vrachtwagen moest stoppen en de chauffeur genoot van het spektakel. Ik ook, moet ik toegeven. Toen ik mijn hond weer achter het gesloten hekken had, ging ik terug om te vragen of ze zich niet had bezeerd. Ze krabbelde rechtop, legde beleefd uit dat ze op de grond was gaan liggen, omdat ze vreesde dat ze anders haar hond niet kon tegenhouden en dat zij de mijne zou zijn aangevlogen. Zeer attent. Ze was volkomen rationeel en beheerst. Geen vuiltje aan de lucht en onze wegen scheidden in opperste vriendelijkheid.

Maar het gaat niet altijd zo. Een kennis van me toonde een appje. Ze had die ochtend haar hond uitgelaten en hij had nergens gescheten, verzekerde ze me. Toch kreeg ze bericht van haar buurman, zelf een hondenliefhebber, dat hij in de stront was getrapt en het was wel degelijk de stront van haar hond, want die herkende hij uit de duizend. Mijn kennis bleef volhouden dat haar hond niet had gescheten, want ze had er met haar snufferd bovenop gestaan. Hij stuurde haar toe: ‘Mijn reet. Als ik nog één keer in een stront van jouw hond trap, dan smeer ik die uit over je voordeur.’ Daar zou hij toch zijn handschoentjes voor nodig hebben.

Afgelopen maandag was een zonnige dag. Een dag om buiten te komen. Maar dus ook een dag waarop mensen die normaal binnen zouden moeten blijven vanwege hun verkorte coronalontje, besluiten de fiets te nemen en eens een rondje met de hond te gaan fietsen. En ja, u raadt het: het hekken stond open. Mijn fout, weer eens vergeten. De coronalul op de fiets, wiens hond ook niet aan de leiband liep, noemde mijn hond een kuthond. Geen onvertogen grom tussen de hondjes zelf: beetje kontsnuffelen, beetje poepjeruiken hier en daar, dat alles gelardeerd met een gezellig likje en een vriendelijk blafje. Maar mijn hond was een echte kuthond, dat stond buiten kijf. De hond van de coronalul op de fiets was een leuke, brave hond die ook nog eens goed luisterde, al was hij veel te dik. Hij krijgt dus het verkeerde eten of te weinig lichaamsbeweging of beide. Aan de vuilbekkende coronalul op de fiets te zien, die ook nog eens een hesje droeg op klaarlichte dag, vermoedde ik beide. Bovendien droeg de reflecterende coronalul op de fiets niet alleen een hesje, hij had ook nog eens een oorbel. Hij was wel erg lang blijven hangen in zijn puberteit, want toen ik zestien was had ik er ook een.

Zoals gezegd was het een zonnige dag en ging ik die avond ook nog een rondje fietsen met mijn hond. Dat verliep zonder tegenspoed en ik genoot van de roodoranjeroze lucht bij zonsondergang. Maar misschien, dacht ik, in een moment van zelfreflecterende luciditeit, ben ik de grootste coronalul op de fiets.