Selecteer een pagina

Ik herinner me nog de eerste keer dat ik een indringende combinatie van angst en opwinding voelde. Het was 25 maart 1983. Ik was 7 jaar en slenterde de weg van school terug naar huis en toen ik van achter het milde bochtje, langs de hoge beuken en eiken van het bos, onze straat verder kon inkijken, zag ik dat mijn ouders op de stoep stonden. Ze praatten met de buren. Er stonden nog meer mensen buiten, overal klitten ze samen en waren druk aan het converseren. Ik herinner me de opwinding die ik voelde, mijn hartslag die opeens racete, want zoveel mensen buiten op straat betekende dat er iets gebeurd was, waarschijnlijk iets ergs. Ik weet nog dat ik begon te rennen. Toen ik bij mijn ouders en buren ging staan om mee te luisteren, verviel iedereen tot mijn teleurstelling in betekenisvol stilzwijgen. Het was pas in de beslotenheid van onze keuken, tijdens het avondeten, dat ik hoorde wat er die dag was gebeurd. 

Een 17-jarige Daniël uit de Steenstraat, tot voordien een onbekende voor me, had zijn ouders, tante, oom en grootmoeder vermoord en enige tijd tussen de lichamen geleefd. Bovendien had hij nog een zwarte lijst waarop de namen van tachtig personen stonden die hij nog wilde vermoorden. Hij werd algauw het monster van Elverdinge genoemd en telkens als ik in die periode te voet naar school ging, keek ik vaker achterom dan voorheen, bang dat die Daniël opeens achter me aan zou komen. Ook als ik op de fiets door de Steenstraat reed, voorbij het huis waarin het drama zich had voltrokken, fietste ik zo snel ik kon voorbij. Al zat hij toen in de gevangenis, hij zou een zichtbare vijand zijn geweest en er zijn twee dingen die je kunt doen met een zichtbare vijand, twee scenario’s die ‘hardwired’ zijn in de menselijke paniekreflex: vechten of vluchten. 

Ik herinner me ook nog de gevoelens die ik had bij de snelle, wereldwijde verspreiding van corona in het voorjaar: onrust en opwinding. Er stond iets te gebeuren. Iedereen voelde dat. Maar deze vijand was bijna over de hele aardbol verspreid en bovendien onzichtbaar. Dus ons primair verdedigingsmechanisme, de vecht-of-vluchtreactie was in de war. Er blijkt geen ontkomen aan, dus vluchten heeft weinig zin, en dat onzichtbare virus moedig trotseren is ook geen optie, want er bestaat niet zoiets als een virusmepper of een kanon dat dat virus aan flarden kan schieten en ons ervan verlost. 

Wat rest is lijdzaam ondergaan, halfslachtige pogingen van regeringen ten spijt om iets in te dijken dat toch over ons heen zal walsen, is het niet in deze vorm, dan ooit in een mutatie. Maar wat erger is, is dat mensen elkaar gaan bejegenen als een potentiële bedreiging, dat die gedragsreactie van vechten of vluchten zich in de supermarkt vertoont, dat we elkaar met een scheef oog bekijken en er zo een onderlinge afstand wordt gecreëerd die een rijke voedingsbodem is voor de verdere normalisering van het moderne individualisme. 

Als dit gedrag de norm wordt, hoe zullen latere generaties mensen zich dan nog tot elkaar verhouden? In een wereld waarin iedereen elkaar als een bedreiging beschouwt, een zichtbare vijand dus, is het wachten op het moment dat die vecht-of-vluchtreactie niet meer in de war is en zich weer herstelt en dan wordt het nog minder gezellig.