Selecteer een pagina

Thuis ben ik degene die de dieren een naam geeft. Als schrijver wordt dat van me verwacht. Ik vind het een eer om te doen. Een dier hoort een naam te hebben. Zonder naam blijven ze hun leven lang een schaduw van het onbekende en onbekend maakt onbemind. Als een boer elke koe een naam gaf, dan zou het moeilijker zijn ze naar het slachthuis te brengen. Of een jager: kijk! Daar loopt haas Kromme Henkie, de papa van Rattekop en Snottebel. Schiet hem kapot! 

Nee. Een naam krijgen is een teken van liefde (behalve een bijnaam. De leraren die bij ons vroeger de bijnamen Flurk, Bubbel of Kapote kregen, vonden dat allerminst een blijk van liefde). Bij de kippen lag het moeilijker. Toen ik er op een gegeven moment tegen de dertig had, kon mijn geheugen het niet meer bolwerken. Bovendien was hun omloopsnelheid te hoog, want af en toe werden ze ziek of vielen ze ten prooi aan mijn honden.

Eerst bestudeer ik het dier aandachtig: is er een opvallend uiterlijk kenmerk? Vertoont het grappig of raar gedrag? Pas daarna geef ik het een naam. Zo hadden we Stripey, Neige, Crash, Duts, Eddie, Stripey2 nadat de eerste Stripey was doodgereden en we weer een kat kregen met tijgerstrepen. Maar ook Betty, Bully en Ballsy voor zijne Hooggeiten en Bugs en Bunny, de hangbuikzwijntjes die broer en zus zijn. Maar voor mijn honden ging het een stap verder.

Mijn kleine, lelijke, maar aardstrouwe keffer Bollix heeft zijn naam uit de Anglo-Ierse literatuur. Tijdens mijn studieverblijf in Dublin kwam ik het woord tegen in de steengoede boeken van Roddy Doyle. Ook in de pubs hoorde ik dat woord ontelbare keren. Het heeft meerdere betekenissen, maar de meest toepasselijke voor mijn hond is ‘testikel’. Hij is een ovaal op korte poten. Bovendien is hij het product van een uitje van zijn vader die zonder mijn toestemming en in het volle bezit van zijn zaadballen de loopse teef van de boerderij hier achter een bezoekje bracht. Bollix zelf waggelt testikelloos maar jolig door zijn hondenleven. Omwille van goed nabuurschap nam ik de dierenartskosten van de verplichte keizersnede voor mijn rekening. Maar Bollix en ik hadden daardoor geen minder goede start. Niemand mag boeten voor de zonden van zijn vader.

De naamgeving van Mickey, een kruising tussen een husky, berner sennen en groenendaler en onze jongste aanwinst, is een ander verhaal. Hij herinnert mij aan de hond van mijn grootmoeder aan moederszijde die ook Mickey heette. Dezelfde snuit, dezelfde haren en pluimige staart. Dezelfde onbesuisde kracht. Maar die arme Mickey lag jarenlang aan de ketting en toen mijn nonkel hem op een zondagmiddag in een zeldzame vlaag van dierenliefde los liet, werd hij dol van geluk. Een paar dagen later moesten ze hem doodschieten, want hij was niet meer te kalmeren. Mijn Mickey ligt nooit aan de ketting en dagelijks loopt hij samen met Bollix de longen uit zijn lijf.

In mijn laatste roman, Jagersmaan, geeft Maria, de moeder van het hoofdpersonage en geweldenaar Victor Vanheule, haar mestvarkentjes dezelfde naam, want zij denkt dat daardoor het afscheid bij het slachten minder lastig wordt. Niets is minder waar. Eender welke naam vermenselijkt een dier en daarzonder zijn zij nog minder dan een beest.