Selecteer een pagina

Ik ben gek op vogels. Verspreid over mijn erf hangen er nestkastjes en ze worden drukbezocht. Vooral door mezen. Maar dit jaar zie ik ook vaak merels onder de struiken, roodborstjes en zelfs een specht, want de wilg aan de slootkant heeft een verdacht vers rond gaatje.

Aan de oostkant van mijn werkkamer (niet voor niks heet die Het Tortelnest) heb ik een mussenhotel opgehangen, eigenhandig gemaakt van oude steigerplanken. Nooit zag ik er enige beweging, maar telkens als ik het hotel na het broedseizoen inspecteerde, zag ik dat alle elf compartimenten een nest hadden. Hier en daar lag nog een eitje dat niet was uitgekomen en daardoor kon ik opzoeken dat het om ringmussen ging. Deze week was ik in de buurt aan het werk en zag ik voor de eerste keer een mus aanvliegen, een takje in haar bek. Ze kreeg het niet door het gaatje, maar bleef het hardnekkig proberen. Het lukte niet en het takje bleef half steken. Door de aanblik van de mus die driftig haar nest aan het maken was, werd ik in gedachten teruggedrongen naar een tafereel uit mijn kindertijd. 

 Onze buurman maakte om de paar jaar zijn dakgoot schoon en onder heel wat pannen trok hij nesten van huismussen vandaan. Dat had ik gezien, want het schrille gepiep had mijn aandacht getrokken en ik was dicht bij heg die de percelen scheidde gaan staan. In die nestjes zaten blutsekakkers. Dat is het woord dat wij daar, diep in de Westhoek, gebruikten voor een vogeltje dat nog naakt is en niet kan vliegen. Vooral de gesloten ogen vond ik raar om te zien: paarse uitpuilende bolletjes. 

Al die nesten met blutsekakkers kieperde de buurman in onze gele wasmand, want ik had in mijn kinderlijke naïviteit te kennen gegeven dat ik ze wel wilde opbrengen.  Hoe ik ook mijn best deed, ze wilden eten noch drinken, dus gingen ze allemaal snel dood en mijn vader ledigde de inhoud van de wasmand op de mesthoop waarop niet veel later de katten naar elkaar bliezen. Het was mijn eerste harde les waarbij ik besefte dat goede bedoelingen niet altijd de beste resultaten opleveren. 

Een poos later kreeg ik mijn eerste kuiken. Ik was in de wolken. Ik pakte het beestje overal mee naartoe, vertroetelde en liefkoosde het. Maar toen het op een warme zomerdag op een speelse wijze onder een ligdeken terecht was gekomen en ik de bewegende bult paniekerig hoorde piepen schoot ik het beestje met de beste bedoelingen ter wereld te hulp, bleef met mijn sandaal aan de rand van de deken haken en viel. Mij knie kwam bovenop het rugje van het kuiken terecht en die kraakte. Ik krabbelde rechtop, trok de verdomde deken weg en zag het beestje in doodsnood naar adem happen. Totdat het niet meer lukte en het zijn kopje slap op mijn handpalmen legde en doodging. 

Dat happen naar lucht van het kuiken uit mijn ver verleden deed me toen denken aan de foto’s van de oudjes die op hun buik aan de beademingsmachines lagen. Mens en dier zijn gemaakt om adem te halen. Het is het eerste wat we moeten doen als we geboren worden. Dat diepe happen naar lucht door de longen, de blaasbalgen des levens die het hart doen pompen, de lucht die we nodig hebben om te lachen, om te huilen. Dat alles overdacht ik toen de mus met een kleiner takje kwam aangevlogen en het deze keer wel lukte om door het gaatje te vliegen.