Jan Vantoortelboom

Fragment uit Meester Mitraillette

Ik verlaat dit vertrapte leven als jongeman: krachtig van lichaam, klaar van geest. Dat is niet wat ik wil, maar mij werd niks gevraagd. Ze hebben me vastgebonden aan een weidepaal. Een paar meter achter mijn rug staat een beuk, machtig aan de vooravond van zijn bloei. Tussen de berijpte takken door zie ik het blauw van de lucht; de wolkensliert die er ongehinderd doorheen klieft. De grond is koud. Ik beleef een tijdloosheid die ik nooit eerder heb meegemaakt, voel hoe de ochtenddauw langzaam in de stof van mijn broek kruipt, en lauw wordt. Aan het einde van deze ochtend ben ik zo koud als de aarde, als de rijp op de takken van de beuk. Als de lucht.

 

Ik laat het lopen, bevlek mezelf met de troostende warmte die mijn lichaam me kan bieden. De schande zal me ongetwijfeld worden vergeven.

Dra komt de lente. De dagen lengen al. De zon zal de winter genadeloos smoren. Dan zullen mens en dier voor haar buigen, verwachtingsvol, en nieuw leven zal bloeien: larven ontpoppen in vlinders, knoppen botten uit in bloesems. Boven mijn soldatengraf zullen ze fladderend paren, die vlinders.

De mannen voor mij werpen kruimels naar de vechtende eksters en kauwen. In het veld ligt een karkas van een koe. Eén van de stijve poten wijst naar de zon. Dan zie ik hem. In een rechte lijn galoppeert hij naar me toe, en een paar meter voor de mannen rukt hij aan de teugels. De hengst steigert, trappelt met zijn voorpoten in de lucht, blaast schuimvlokken in de rondte. Modderbrokken springen van de hoeven af. Een gendarme snelt toe, grijpt de teugels, bedaart het paard door het liefdevol over de neus te strelen. De officier stijgt af, knikt naar zijn verkleumde manschappen, en kijkt in mijn richting. Hij is mijn beul. Ik hoop dat hij een goede man is. Een rechtschapen mens. Geen moordzuchtig monument. Mijn nek doet pijn als ik naar hem op kijk.
‘Wil je nog iets zeggen, David? Een laatste biecht misschien? Ik kan het voor je regelen,’ zegt hij.

Hij is vriendelijk. Hij kent mijn naam. Twee vorstblauwe ogen in een vermoeid gezicht. Ik zou kunnen zeggen dat ik niet geloof in een leven na de dood, dat ik nooit heimwee heb gehad naar een god die dood en begraven is, dat, zoals mijn vader me heeft geleerd, geloof een zwakte van de mens is, en biechten dus voor mij zin noch redding biedt. Ik zou ook kunnen zeggen dat ik echt mijn best heb gedaan om er iets van te maken, maar dat vergeving door mijn moeder het enige is wat ik nog wil. Als ik naar hem kijk weet ik dat mijn woorden hem zouden raken. Zijn haar lijkt op het hoofd van een verwelkte paardenbloem. Hij zou zijn best doen om te luisteren, te begrijpen, en misschien een paar diepzinnige dingen zeggen. Zal zijn gezicht op mijn netvlies gebrand staan als de kogels het vlees van mijn hart versnijden? Ik ken zijn naam niet. Of moet ik mijn ogen sluiten als de geweren worden geschouderd, en de donkere lopen op mij gericht zijn? Naar binnen kijken? Naar mijn kleine broer, die op zijn knieën door de tuin kruipt; naar mijn ouders, die samen in de kleine keuken in het zonlicht staan. Of naar mijn klas van het zesde leerjaar van weleer? Marcus voorop. Ze zouden me zekerlijk komen helpen. Met hun houten sabels en bogen. Met hun handen, die ongetwijfeld nog groter en ruwer zijn geworden maken ze de touwen rond mijn polsen los, snijden ze de strengen door met het zakmes dat ze niet bij zich mogen hebben.
Laat ik maar niet denken aan de twee liefdes van mijn leven.
Een bevel weerklinkt. De gendarmes gaan achter een lijn staan. Dichter bij mij. Ik bekijk ze één voor één. Het zijn vreemden. Ik kijk opzij, voel medelijden met de soldaten van mijn peloton die verplicht zijn vanop afstand toe te kijken. Ik schud mijn hoofd naar de officier die nog steeds voorovergebogen naast me staat, tegen me praat, en vraagt of hij nog iets kan doen. Maar opeens stopt hij. Hij begrijpt het. Hij beseft dat het enige wat woorden nu nog kunnen doen, verstoren is.

Ben ik bang? Want ze gaan me doden. Mikken op dat wit lintje op mijn uniform gespeld, op de plek waarachter mijn hart nu hamert en hamert. Zo luid dat ik het hoor bonzen in mijn keel, achter mijn slapen. De hartenklop van het leven dat ze mij willen laten verlaten.
Ik ben niet bang. Ik heb mijn best gedaan.