Jan Vantoortelboom

Fragment uit De verzonken jongen

Ik fietste op mijn gemak verder door de kale dreef tot ik in de Vlamertingestraat eindigde om dan een scherpe bocht naar rechts te pakken. Een grijze Jeep klaksonneerde ongedurig toen ik net iets teveel naar het midden van de weg zwenkte. De chauffeur stak zijn vuist op en ik zag hoe zijn lippen geluidloos woorden vormden toen hij voorbijraasde. Een soort van nijdig onderwaterlied van een bebaarde zeemeerman. Een ballade voor dove mensen. Even later parkeerde ik mijn fiets vloekend tegen de zijgevel van de beenhouwerij. Er stonden wel zes vrouwen te wachten. Het koper van de deurbel klingelde overdreven en alle hoofden wendden zich om.

‘Ah, Stoffeltje!’ zei de slagerin.
Ik bloosde. Ik wilde geen schelle boerenworst.
'Wil je een schelle?
Mijn tanden knarsten.
‘Dankuwel,’ zei ik.
‘Is dat nu een ja of een nee?’ zei ze voor iedereen.
Ik vond dat ik weeral lang genoeg in het brandpunt van de belangstelling had gestaan en antwoordde met een volmondige ja.
‘Het lijkt wel alsof er een dweil in je mond zit vandaag, Stoffeltje,’ zei ze breed lachend. Haar gouden tand blonk in het zonlicht. De vrouwen gniffelden.
Ik voelde mij belaagd door een stel heksen en durfde amper om me heen te kijken. Een natte grijze vlek was zichtbaar op haar slagersschort, juist daar waar haar linkertepel had moet zitten. Heksenmelk uit haar borsten gekneed door de duivel. Haar ogen waren vlijmscherp.

‘Is je pépé nog altijd ziek?’ vroeg de heks in de hoek.
‘Niet dat ik weet,’ antwoordde ik verbaasd, zonder ze aan te kijken.
Grootvader was niet ziek. Hij zat nog steeds in zijn zetel op zondag met een mes druivenpitten van tussen zijn tanden te peuteren, vliegen dood te meppen en giftige scheten te laten.

Ze keken elkaar samenzweerderig aan. De slagersvrouw bepotelde haar leverworst. ‘Ik dacht dat hij al lange tijd héél ziek was,’ zei een andere heks heel langzaam. ‘Niet dat ik weet,’ herhaalde ik, vastbesloten hun bondgenootschap te trotseren.
Ik verwachtte dat ze elk moment rond mij zouden gaan dansen, lichtvoetig met hun vadsige lichamen op vlezige kuiten en tanden zoals de afbrokkelende grafzerken op het kerkhof. ‘Je broer Bert lijkt wel héél véél op Victor,’ zei de slagerin verlekkerd.
Ik dacht dat ik kwijl uit haar mond zag druipen en dat haar neus begon te groeien en de leverworst in een bezemsteel veranderde. Al het vlees in de toonbank leek opeens te bewegen alsof er bergen hongerige maden met mot in de maag onder zaten.
De conservenblikken in de kasten kregen de gedaantes van duivelseieren die uitbotten tot enorme stinkzwammen. Mijn ogen zochten angstig naar een ketel vol kokend water. Dit feest mocht gaan ophouden, want ik werd er straf zenuwachtig van.
‘Maar jij hebt wel de o-benen van je pépé,’ kraste een stem.
‘Er kan bijna een varken tussen,’ raspte een andere stem.
‘Het belangrijkste staat altijd tussen haakjes,’ zei de slagerin dan weer.
‘Mag ik eigenlijk nog wat vlees hebben vandaag?’ vroeg ik, stomverbaasd door mijn eigen onbeschaamdheid. Ik wilde hier zo snel mogelijk weg en was blij dat het de volgende keer Berts beurt was.
‘Maakt da mee,’ hoorde ik.
‘Tuurlijk, dadde,’ zei de slagerin die aan de slag ging.

De bezwering was verbroken. Ik voelde me weer wat meer op mijn gemak toen de vrouwen achter me begonnen te keuvelen en de plakjes hesp op het papier werden gekwakt en gewogen. Ze floot tussen de spleten van haar tanden, staarde naar de wijzer van de weegschaal en zei dat het tweehonderdvijftig franken was.
Ik had godverdegodver niet genoeg bij en besefte met dichtgeknepen billen dat ik weer het zenuwcentrum van deze heksensabbat zou worden. Maar juist toen ik fantaseerde hoe ik geniepig zou kunnen ontsnappen zag ik Bert liggend op het stuur van zijn fiets aan komen pezen. Ik stotterde snel even naar buiten te zullen gaan omdat Bert er toevallig aankwam omdat mijn portemonnee nog thuis op de kast lag en direct weer terug zou komen. Zonder haar goedkeuring af te wachten opende ik de deur. De bel rinkelde dramatisch. Ik deed teken dat Bert moest stoppen. Hij zag me juist op tijd en trok zijn remmen potdicht. De caoutchouc van zijn achterwiel schuurde een dikke zwarte streep op het asfalt.
‘Whazzup?’ gromde hij stoer. Hij had in de laatste paar weken een zwaardere stem gekregen.

‘Ik heb geen franken genoeg voor het vlees,’ zei ik paniekerig.
Bert scharrelde in zijn broekzak en toverde een twintigfrankstuk tevoorschijn. Hij wist dat het geen lachertje was om in de beenhouwerij te moeten wachten tussen die oude, stinkende boerinnen.
‘Ze staan te gapen alsof we de mooiste venten van de wereld zijn,’ zei hij.
‘En we hebben zelfs nog onze kleren aan.’
‘Haha.’
‘’t Zijn galbulten met de kleur van verstikte klei,’ zei ik.

We keken elkaar aan en schoten in een onbedaarlijke lach. De lach rees op op vanuit mijn middenrif met zo’n schokkende kracht dat ik dacht dat mijn ribben zouden breken. Bert gaf een klets tegen mijn kaak, noemde mij een tap met een babyface, zwierde zijn been over zijn zadel en koerste weg. Ik dreutelde terug naar binnen, betaalde, nam het vlees en bedankte. Dat alles in een wolk van broeiend misprijzen..